is toegevoegd aan je favorieten.

De locomotief; weekblad gewijd aan de belangen van spoor- en tramwegen, jrg 41, 1923, no 13, 28-03-1923

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de maximumwaarde van de stroomkromme en « = de slingerwijdte van dezen stroom. Volgens fig. 5 krijgen wij dan voor den gelijkstroom:

_l/ I (wt) dt. r Tjo Ig = =li en Eg =EI (i.)

Volgens fig. 7 kan men den anodestroom aldus uitdrukken:

lai = =|/ ƒ (o,t) dt = = =

terwijl Eai = Eag = Eg.

De effectieve waarde van den anode-stroom is bij gevolg = = 0,707 Ig, waarbij Ig de effectieve waarde van den sterkgolvenden gelijkstroom is.

Elk der beide wikkelingen van den voedingstransformator moet dus voor 0,707 maal het vermogen van den gelijkstroomzijde geschikt zijn en niet voor 0,5 maal, zooals men aanvankelijk zou kunnen meenen. Hieruit volgt, dat het vermogen van de secundaire zijde van den transformator grooter is dan dat van de primaire zijde. In verband met de vergehjkingen i en 2 kan men dit vermogen uitdrukken als hieronder aangegeven:

Pi = Ii El = Ig. Eg. P 2 = 2 Ia Ea = 2 Eg = V 2 Ig- Eg. p j = El V 2 bewijst, dat de secundaire P 2 V 2 ’’ wikkelinr van den transformator een afmeting van 1,41 maal de primaire wikkeling "hebben moet.

Die noodig geworden vergrooting van het secundaire vermog n, ten opzichte van het primaire, vindt daarin hare oorzaak, dat de anoden van den gelijkrichter enkel gedurende een deel der periode stroom leveren, wat het gevolg heeft, dat het secundaire koper van den transformator niet v 1 om°n wordt benut, m.a.w., dat dit toestel afmetingen moet verkrijgen voor een grooter vermogen dan onder normale omstandigheden.

Een gelijkstroom, als in fig. 5 voorgesteld, is veel te sterk golvend om in de practijk voor de voeding van eenigerlei ontvanger geschokt te kunnen zijn.

Niettemin kwam het ons niet ondienstig voor, ons even met de elementaire theorie bezig te houden, omdat de aangegeven formules de eenvoudigste voorbeelden weergeven, terwijl zij het verband aantoonen, dat tusschen de gelijkstroom- en de wisselstroomzijde van een gelijkrichter bestaat.

Fig. 8,

Om dezen stroom op rationeele wijze in de practijk te kunnen aanwenden is het noodig, de golving ervan zóóveel te verminderen als de practijk het vereischt, wat te bereiken is door in den gelijkstroomloop een zelf-inductieklos in te schakelen van een bepaalde reactantie.

Fig. 7.

Wij zullen nu den invloed van dezen klos op de gesteldheid der gelijkgerichte stroomkromme nagaan. Laten wij ons voorstellen een stroomloop, waarbij ingeschakeld zijn een gelijkrichter, een ohmsche weerstand en een Ruhmkorffklos (Fig. 8).

Noemen wij Ck. de oogenblikkelijke grootte van de sinusoïdale electromotorische kracht, die op dezen stroomloop op normale wijze werkt.

Wanneer wij het spanningsverschil in den lichtboog verwaarloozen krijgen wij:

•n Tdl , dl dt e. —iR L =o, dus: dt Ck —iR L

en, door deze vergelijking te integreeren, vinden wij:

Het geval, waarbij i = O wordt, als t=to=o., geeft ons gelegenheid om de integratie-constante C te bepalen en analytisch de gesteldheid van de stroomkromme na te gaan. Overigens is het in dit geval van waarde om den vectorialen vorm in de berekeningen in te voegen, waardoor de bewijsvoering vereenvoudigd wordt.

Wij weten, dat de oogenblikkelijke stroom i met betrekking tot de electromotorische kracht van zelf-inductie een nayling van heeft. 2

Fig. 9,

Aan den anderen kant heeft er, als gevolg van de ~klepwerking” van den lichtboog in het luchtledige, geen stroomdoorgang plaats dan alleen wanneer de electromotorische kracht door het |

De krommen iR en i onderscheiden zich onderling enkel door het trapsgewijze verschil hunner ordinaten, wat maakt dat de vectoren iR en L eveneens met een bedrag van ten opzichte van elkaar verschoven zijn.

Laten wij, uitgaande van deze veronderstelling, in Fig. 9 de di krommen trekken, die de uitdrukkingen iR en L-jj: voorstellen, waarvan de amplitude willekeurig te kiezen is.

Laten wij vervolgens de kromme ek nagaan, die op elk bepaald oogenblik de som der ordinaten van de ohmsche spanning en de spanning der zelf-inductie weergeeft; i is gelijk aan de sterkte van den stroom, die door den stroomloop gaat. Wij teekenden deze krommen zóó, dat zij met de werkelijkheid overeenkomen, tegelijk aannemende, dat ek de spanning in het primaire net beteekent, die wij ons reeds als zuiver sinusoïdaal hebben voorgesteld.

Wanneer wij de onderscheidene oogenblikkelijke waarden van eit en iR door R deelen, verkrijgen wij de krommen io en is,