is toegevoegd aan uw favorieten.

Doopsgezinde bijdragen, jrg 3, 1863, 01-01-1863

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voornamelijk uit vrees dat men de kas der gemeente door het onderhoud van het orgel te veel zou bezwaren, zoo werd er toch verder over geraadpleegd; er werden teekeningen van orgels gemaakt die welligt nog in het Archief berusten, en men beraamde het bijeenbrengen van een fonds voor het onderhoud van een orgel, waarvoor men de som van f 13,000 rekende noodig te hebben. Aan deze overleggingen maakte de bovengenoemde Heer J. A. van Lennep voor goed een einde, doordien hij, op een vroeger los gezegde van Ds. Allard Hulshoff, zich gereed verklaarde de gansche zaak op zijn eigen risico tot stand te brengen. Hij bood aan, eene lijst door leden der gemeente te laten teekenen en de benoodigde som voor een fonds tot onderhoud van een orgel uit te keeren, alsmede te zorgen, dat het gemaakt en betaald werd buiten eenig bezwaar voor de gemeentekas, aan welke toezegging hij gestand deed, toen hij den 4dcn December 1777, het geheel voltooide orgel aan den kerkeraad opdroeg. Men was eerst voornemens het tegenover den preekstoel, op de eerste gaanderij, te plaatsen, doch werd later te rade, het boven den preekstoel in een afzonderlijken kast te zetten, voornamelijk omdat de achtermuur, naar het oordeel van bouwheereu, zeer zwak en in een staat van verzakking was en zonder de versterking die nu toch vereischt werd, zeker eene aanmerkelijke reparatie zou hebben gevorderd. Ds. van Heyningen hield eene leerrede toen het voor 't eerste bespeeld werd. De eerste organist was de ook als componist van kerkgezangen gunstig bekende J. A. Remmers; de tweede Andriessea ; de derde de zeer bekwame componist Wilms, die door den tegenwoordigen organist Disselwerll',