is toegevoegd aan uw favorieten.

Doopsgezinde bijdragen, jrg 1, 1867, 01-01-1867

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In 't kort, hij is de man niet, om wien zich alles wat tot het theologiesch en kerkelijk leven der vorige eeuw, in ons land behoort, laat groepeeren; hij kon daarvan niet het middelpunt wezen; al was hij natuurlijk een kind van zijn tijd, hij is niet tevens in zekere mate diens leider en beheerscher geweest en evenmin die van volgende geslachten. Aan wien zijner landgenooten komt dan die eernaam toe? Ik zou het niet durven zeggen; ik geloof bijna, dat er geen persoonlijkheid gedurende de vorige eeuw in Nederland geweest is, die daarop aanspraak kan maken. Ik weet wel, dat Stinstua het niet geweest is, dit is mij uit het boek van Ds. Sepp voldoende gebleken. Zelfs al had de schrijver den kring enger getrokken en zich bepaald tot het geven eener geschiedenis van de Doopsgezinden in de 18ae eeuw, zelfs dan mocht hij Sïitjstra niet tot hoofdpersoon hebben verkozen, want ook in onze broederschap was zijn invloed niet praedomineerend, welk een eervolle plaats hij ook onder hare leden inneemt. Hiermede zeg ik niet, dat zijn persoon niet belangrijk genoeg is, om tot onderwerp eener levensgeschiedenis te dienen; integendeel ik meen met den Schrijver, dat hij die eer ten volle verdient, en dat het meer dan tijd was zijne werken en lotgevallen uitvoerig te beschrijven. Maar ik acht het eene fout, dat Ds. Sepp hiermede eene schets van 's mans eeuw heeft verbonden. Daartegen golden bezwaren, die zelfs een volkomen meesterschap over den vorm niet konden overwinnen. Had hij beiden afzonderlijk beschreven, 't ware voor de teekenitig van het gods-