is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1891, 01-01-1891

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2e. zes aandeelen in de Ned. Indische Escompto Maatschappij, ieder groot ƒ 1000;

8e. een aandeel in de Zee- en Brand Assurantie Maatschappij de Oosterling, groot f 5000, waarop gestort tien ten honderd;

dat, hoe voordeelig deze effecten thans ook genoteerd staan, het toch niet te ontkennen valt, dat de waarde daarvan te veel afhankelijk is van omstandigheden;

dat het beleggen van gelden van minderjarigen in effecten, niet door den- Staat uitgegeven, daarom niet in hun belang moet worden geacht;

dat deze aanhouding bovendien in strijd is met het bepaalde in de tweede alinea van art. 391 B. W., welke alinea voorschrijft, dat penningen aan minderjarigen toebehoorende op geene andere wijze mogen worden belegd dan door aankoop van inschrijvingen op het grootboek der werkelijke schuld, van onroerende goederen of in rentegevende schuldbrieven, gehypothekeerd op vaste goederen, welker onbezwaarde waarde ten minste een derde boven de te beleggen som bedraagt;

Redenen waarom de kamer voornoemd het verzoek doet om haar te willen machtigen de hierbedoelde effecten in het openbaar te mogen verkoopen, dan wel dat die verkoop onder de hand geschiede door tusschenkomst van een makelaar en niet anders dan volgens den koers van den dag;

Wordende hierbij aangeteekend, dat op dit verzoek zoude kunnen worden gehoord de heer X. alhier, de efenige bloedverwant van de minderjarigen v. B. hier in Indië aanwezig.

Batavia , 't welk doende

Jen 15 April Be Weeskamer,

1891. (w. g.) P. L eidelmijer,

L. President.

Ter ordonnancie van dezelve Be Secretaris, (w. g.) H. van der Valk.