is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1891, 01-01-1891

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CASSATIE.

Zitting van 2 Juli 1S91.

Voorzitter: Mit. J. Sibenius Trip.

Korte verjaring. — Art. 1975 B. W.

De korte verjaring van art. 1975 B. IV. geldt niet voor termijnsgewijze afbetalingen op hoofdsommen.

J. Eijnbende, weduwe van D. C. Karnatij, requirante van cassatie, comp. bij den adv. en proc. Mr. D. Fock, contra

G. J. K. Tbies, gerequireerde in voorschreven cas.

HET HOOG-GERECHTSHOE VAN NEDERLANDSCH-INDIE,

Gelezen liet op den 3den September 1890 door den raad van justitie te Seraarang tusschen partijen gewezen vonnis, waarbij aan de eiseheresse, thans requirante van cassat'e, haar eisch en genomen conclusiën zijn ontzegd, en zij in de kosten van het geding is veroordeeld;

Gezien de acte, waaruit blijkt, dat de advocaat en procureur bij het Hoog-Gerechtshof van Nederlandsch-Indië Mr. D. Eock, namens de eiseheresse, die bij 's Hofs beschikking dd. 18 November 1890 vergunning bekomen heeft om in deze kosteloos te procedeeren, op den 17den December d. a. v. ter griffie van het Hoog Gerechtshof van voormeld vonnis is gekomen in cassatie;

Gelet op de door dien praktizijn gediende en aan de wederpartij beteekende memorie van eisch in cassatie, zijnde door den laatste van geene memorie van antwoord gediend;

Gehoord den Advocaat-Generaal Mr. C. L Brevet in zijne namens den Procureur-Generaal ter openbare terechtzitting van den 9den April 1891 genomen conclusie van cassatie, daartoe