is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1892, 01-01-1892

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Na liet vorenstaande" vooropgesteld te hebben, acht ik het oogenblik gekomen om 's Hofs arrest in zake Weijergang nader te beschouwen. In de eerste plaats moet ik mij daartoe afvragen: hoevele strafbare handelingen zijn er bedreven door het opnemen der lasterlijke, honende en beleedigende uitdrukkingen in de beide nummers van de Celebes Courant ? Hiertoe behoef ik geen ouders beid te maken tusschen de in Nederland bestaande strafwetgeving en het in Indië vigeerende strafrecht. Het vaststellen van het aantal strafbare handelingen, als som van eene pluraliteit van materiëele daad, wil en gevolg, hangt — al kent het Nationaal Strafwetboek het begrip: „hoon" niet — niet in de eerste plaats af van positieve wetgeving, maar is hoofdzakelijk eene quaestie van de theorie der handeling, die aan beide wetboeken evenzeer ten grondslag ligt. Kan men nu zeggen: door het gelijktijdig uiten der bedoelde uitdrukkingen wordt in ieder artikel slechts eene afgeronde handeling gepleegd; mag men volhouden dat, ongeacht liet lasteilijk, honend en beleedigei.d karakter der invectieven, er niet d 1 ie of twee [men denke hier aan liet verschil van opvatting omtrent de aanwezigheid van een fait précis in het dichtstuk tusschen O. M. en den eersten rechter] strafbare handelingen zijn begaan, maar in elk nummer van het periodiek enkel eene natuurlijke handelingseenheid aanwezig is? Ik zou het niet durven beweren. Immers het aantal materiëe'e gevolgen is hier, gelijk immer, maatgevend; waar de wet onderscheid maakt in de graviteit der gebezigde uitdrukkingen, doet zij dat, omdat de eene beleediging [genus] een physiologisch en psychologisch grooteren indruk maakt omdat de privaatbelangen en o o. de consideratie bij de medeburgers door de eene uitlating meer wordt aangetast dan door de andere; de wet heeft daardoor meerdere materiëele gevolgen als 't ware met den vinger aangewezen. Beschouwt men de driterlei soort uitdrukkingen als één feit, dan komt men bovendien in de boven reeds besproken moeielijkheid ten aanzien der qualificatie. De raad van justitie te Batavia, president Mr Eugelbrecht, dd. 6 Augustus 1879, W. 848, zag in het uiten van de scheldwoorden (ditmaal bij monde, maar dit ver-