is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1892, 01-01-1892

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

no. 53 is aangegeven, welke zaken ter kennisname staan van den priesterraad, en daartoe niet behoort eene vordering tot nietigverklaring van een testament;

dat voorts als tweede en derde grond is aangevoerd dat de rechter a quo nog getreden is in een onderzoek naar een punt — of namelijk ongeacht het gemaakt testament, de requirant volgens den Koraan recht had op 3/4 der nalatenschap van zijn broeder Abdoe! Bachirian, — dat reeds door den priesterraad beslist was, en hem dat recht, en mitsdien ook zijne vordering ontzegd heeft, op grond van een in deze streek van Java heerschenden adat;

maar dat de rechter a quo zeker niet gebonden was door een vonnis van een priesterraad, waarvan hij de executoirverklaring had geweigerd, en ook overigens bevoegd was om de vraag zelfstandig te onderzoeken, terwijl van een beslissing als dc onderweipelijke op den adat gegrond geen cassatie is, omdat daardoor geen wetsartikel kaïi zijn geschonden of verkeerd toegepast; ,

dat derhalve ook dit middel ongegrond is;

O. dat het ingestelde beroep in cassatie dus moet worden verworpen;

Gezien het aangthaalde artikel, de artt. 40 2 en volgende en 58 E. B. Ev.;

Eechtdoende,

Verwerpt het beroep in cassatie;

Veroordeelt den requirant in de kosten in cassatie gevallen.

EEESTE AANLEG.

EAAD VAN JUSTITIE TE BATAVIA,

(Eerste Kamer).

Zitting van 24 Octoler 1892.

Voorzitter: Mr. A. Stibbe Lzn.

Verzet. — Staatsblad 1889 no . 31. — Geclausuleerde bekentenis. bewijslast.