is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1893, 01-01-1893

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„dat de uitspraak ten principale moet wachten op den uitslag van het incident" een bewijs gelast heeft dat litis decisoir is;

dat mitsdien de partij, die zoodanige beslissing onjuist acht, en meent, dat zij geen gevolg mag hebben, instede van, gelijk appellant, den eed aan te nemen, daarvan bij den hoogeren rechter in appel moet komen, wil deze bevoegd wezen de gegrondheid zijner grieven na te gaan;

dat in casu derhalve slechts te onderzoeken overblijft, wat het gevolg is van het niet door appellant uitzweren van den hem bij gemeld interlocutoir opgedragen eed;

dat te dien opzichte in de eerste plaats valt op te merken, dat — gelijk namens appellant bij pleidooi ook werd toegegeven — de rechter commissaris, te wiens overstaan de eedsaflegging volgens het interlocutoir moest geschieden, geheel terecht den appellant ten bepaalden dage niet tot het afleggen van den eed heeft toegelaten, omdat nu eenmaal art. 1945 van het Burgerlijk Wetboek uitdrukkelijk voorschrijft (en dit dan ook in het vonnis is herhaald) dat de eed niet mag worden afgenomen dan in tegenwoordigheid der wederpartij of deze daartoe behoorlijk zijnde opgeroepen, terwijl in casu die wederpartij niet alleen afwezig was, maar appellant hare oproeping achterwege had gelaten;

hebben hij vermeend dit te kunnen doen, omdat geintimeerde hem het interlocutoir reeds had laten beteekenen, en hij daarbij door haar bereids was opgeroepen om ter plaatse, dag en uur jn het vonnis nader aangeduid, den eed uit te zweren;

O. dat appellant derhalve, na daartoe door oorspronkelijk eischeres te zijn opgeroepen, den eed niet heeft afgelegd, en met den raad van justitie moet worden aangenomen, dat hij in dit speciale geval geacht moet worden den eed te hebben geweigerd, ten ware hij mocht bewijzen uit hoofde van een wettig beletsel verhinderd te zijn geweest, zoodat ten slotte alsnog de vraag moet worden beantwoord, of dat beletsel onderwerpelijk geacht moet worden zich te hebben voorgedaan, en het niet verschijnen van geintimeerde, dat onder de gestelde omstandigheden de oorzaak van het niet afleggen van den eed geweest is, aan een haar toerekenbaar opzet mag worden geweten ;