is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1893, 01-01-1893

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bepaling ondanks bet woord „blijven" te zien een herleving van vroegere administratieve inmengingen?

Zoo niet, dan is een dergelijke vrije interpretatie van art. 78 ook niet geoorloofd.

Men werpe mij niet tegen, dat in art. 82 wordt gesproken van „algemeene verordeningen" en in art. 78 slechts van „godsdienstige wetten en oude herkomsten", want deze laatste kunnen ook verouderen, afsterven, en zijn evengoed aan opheffing onderhevig als algemeene verordeningen. Beiden zijn rechtsbronnen, hoofdzakelijk slechts verschillende in vorm of oorsprong, die na te zijn te niet gegaan nog slechts een historisch bestaan hebben.

In het spraakgebruik verzuimt men wel eens dit door het gebruik van den verleden tijd te doen uitkomen, en zegt dan b. v. „in het Romeinsche recht bestaan connubium en concubinaat". ... of „het Javaansch recht leent geen onderscheid tussehen civiel- en strafrecht" enz., maar dit is meer gebruikelijk wanneer men in gedachten geheel verwijlt in een ander tijdperk en wil men korrekt spreken, dan moet het luiden „bestonden" en „kende". Is men nu niet overtuigd, dat de wetgever korrekt spreekt, dan mag men evengoed van algemeene verordeningen als van godsdienstige wetten en oude herkomsten veronderstellen, dat hij te hunnen opzichte den tegenwoordigen tijd heeft gebruikt, terwijl hij den verleden tijd bedoelde.

Wil men de jurisprudentie er een verwijt van maken, dat zij aan het oude vasthoudt, dan moet men billijkheidshalve eerst nagaan of het nieuwe, daarvoor in de plaats geboden, vatbaar is voor toepassing bij de rechtspraak.

Rit dit oogpunt moet ik nu Mr. P's. verhandeling over de kompetentie der priesterraden nog beschouwen, en wel dè regelen die hij voorstelt als resultaat zijner studie; regelen waardoor hij meent in staat te zijn de grenzen van de kompetentie der priesterraden „voldoende aan te geven." (Wbl. no. 1266 blz. 161, le en 2e kolom).

Behalve familie- en erfrecht vinden we daar vermeld als behoorende tot de bevoegdheid der jpriesters: