is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1893, 01-01-1893

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Derhalve: dezelfde kwesties zullen ter zelfder plaatse al dan niet naar Mohammedaansclie rechtsregelen worden opgelost, naar gelang ze maar aan een andere van familie- of erfrecht verknocht zijn of niet!

Wanneer Mr. P. gelijk heeft en dit dus de rechtstoestand is, waarin de Inlander volgens art. 78 R. R. behoort te verkeeren, dan vraag ik, bescheiden, of de geachte schrijver de urgentie van een wetswijziging op dit punt daardoor niet heelt aangetoond.

ad 3 vm. Hier is de Priesterraad ra. i. onbevoegd, of kan althans zijn bevoegdheid niet ontleenen aan art. 78 R. R., dat alleen spreekt van geschillen.

Kan men tegen de bovenvermelde regelen, die Mr. P. opgeeft, dus reeds het bezwaar aanvoeren dat zij een zeer zwevende kompetentie in het leven zouden roepen, de onzekerheid wordt nog grooter, wanneer men de restriktie leest, die deze schrijver enkele kolommen verder maakt (Pi blz. 162, le kolom onderaan).

Op het daar voorkomende moet ik allereerst aanmerken, dat art. 78 R. R de rechtspraak der priesiers volstrekt niet uitsluit in zaken „die naar de adat beoordeeld e i dt rhalve door den Landraad berecht behooren te worden" (*). Dit „derhalve" klinkt dus vreemd. Blijkbaar echter doelt Mr. P. bier op de onbelangrijke zaken, die volgens hem reeds in den Hindoetijd niet tot de kompetentie der rechtbanken behoorden en evenmin later tot die der later daarvoor in de plaats gekomen priesterraden. Deze minder belangrijke kwesties werden volgens de adat beslist, niet volgens het Mohammedaansche recht; niet hierom echter behoorden ze tot de kompetentie der priesterraden, maar om hun onbelangrijkheid. (Zoo wordt ons althans meegedeeld),

(*) Woorden van Mr. P.

Het aan de priesters ter beslissing opdragen van zekere geschillen wil nog niet zeggen, dat deze daardoor aan andere dan de algemeene rechtsregelen worden onderworpen. Art. 78 al 2 R. R. laat art. 75 al. 3 R. R. onaangetast. De priesters hebben dus evengoed de adat — zooals ik dit woord boven omschreef—toe te passen; maar de aard van hun beroep brengt mee, dat zij zich daaraan weinig storen.