is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1894, 01-01-1894

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET HOOG-GERECHTSHOE VAN NEDERLANDSCH-INDIE,

Gezien de stukken van liet gerechtelijk onderzoek in de zaak van den beklaagde Amin en het in die zaak op 30 Augustus 1894 door den Landraad te Tjilatjap gewezen vonnis, waarbij de beklaagde is schuldig verklaard aan : „het toebrengen van een kwetsuur en slagen, geene ziekte of onbekwaamheid tot persoonlijken arbeid van meer dan twintig dagen tengevolge gehad hebbende en zulks na bereids ter zake van misdrijf te zijn veroordeeld geweest tot dwangarbeid voor langer dan één jaar, gepleegd onder verzachtende omstandigheden", en deswege veroordeeld tot de straf van dwangarbeid buiten den ketting voor den tijd van één jaar, alsmede in de kosten van het rechtsgeding;

Gezien de schriftelijke conclusie namens den Procureur-Generaal, door den Advocaat-Generaal Mr. Ch. H. Nieuwenhuijs genomen, en gedagteekend 11 October 1894, daartoe strekkende, dat het Hoog-Gerechtshof met verbetering van bet vonnis den beklaagde zal schuldig verklaren aan : „het moedwillig toebrengen van slagen aan drie personen, geene ziekte of onbekwaamheid tot persoonlijken arbeid van meer dan twintig dagen tengevolge gehad hebbende" en overzulks veroordeelen tot de straf van dwangarbeid buiten den ketting voor den tijd van twee achtereenvolgende jaren en f 100.— boete, met bepaling, dat hij bij niet voldoening dier geldboete, bij wege van gijzeling, dwangarbeid buiten den ketting zal kunnen ondergaan voor den tijd van vijftien dagen en overigens het vonnis moge bekrachtigen;

Gehoord het rapport van den Raadsheer Mr. J. F. Kramer;

O. dat de beklaagde, op de wijze door de wet voorgeschreven en binnen den termijn bij deze gesteld, verklaard heeft van dit vonnis revisie te verlangen;

O. dat aan beklaagde bij de acte van beschuldiging, in overeenstemming met de acte van verwijzing, is ten laste gelegd, dat hij, na bereids door Tongkoe Tjihik, Hoeloebalang van Edi Besaar, ter zake van diefstal met braak bij nacht in een bewoond huis te zijn veroordeeld tot tien jaren dwangarbeid in den ketting,