is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1895, 01-01-1895

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En ten principale rechtdoende:

Verklaart den in hoofde dezer genoemden beklaagde schuldig aan: „het door een Onderofficier uitdrukkelijk weigeren en „opzettelijk nalaten om de order van dengene, die boven hem „gesteld is, na te komen in eene affaire tegen den vijand of „in eene plaats, welke dadelijk belegerd of berend is".

Veroordeelt hem deswege tot de straf van militaire gevangenis voor den tijd van één jaar.

Verwijst hem in de in appèl gevallen kosten en misen der Justitie, mitsgaders in die van den processe.

Zitting van 7 September 1894.

Voorzitter: als voren.

COMMÜN DELICT. — ART. 199 C R IM . W E TB.

Volgens de artt. 109, 110 en 111 van het Regl. op den inwendigen dienst der Infanterie zijn de liok en bijkok, beiden militairen, personen die geëmployeerd zijn bij de uitdeeling van de levensmiddelen, dat is van de goederen aan de menage toebehoorende, daar zij, zij het onder toezicht van anderen, het eten, dat hun ter bereiding wordt toevertrouwd, opscheppen en het in de eetketels of op andere wijze onder de manschappen verdeelen. Dergelijke personen, zich schuldig makende aan eenige ontvreemding van de hun in voege voorschreven toevertrouwde goederen, plegen daardoor geen commun delict, maar het militair delict van art. 199 Grim, Wetb. en belmoren voor den militairen rechter terecht te staan.

HET IIOOG-MIL1T AIR-GERECHTSHOF,

Gezien het vonnis van eenen daartoe benoemden Krijgsraad te Soerabaja tegen den in hoofde dezer genoemden beklaagde geweien op 31 Mei en uitgesproken op 17 Juli 1894, waarbij de Krijgsraad zich vooralsnog onbevoegd heeft verklaard om

LX1V. 9