is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1895, 01-01-1895

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Veroordeelt appellant in de kosten van deze appellatoire instantie.

CASSATIE.

Zitting van 4 Juli 1895.

Voorzitter: als voren.

Art. 20, lo. Stbl. 1874 No. 94 b. — Hooger beroep. — Cassatie.

Art. 20, lo. van Stbl. 1874 No. 94b laat hooger beroep toe aan den Baad van Justitie van alle burgerlijke vorderingen ingesteld tegen eigenlijk gezegde Inlanders, wanneer de vordering loopt over eene som of waarde van meer dan f 500.—

Wanneer van de waarde der vordering niets blijkt, is derhalve geen hooger beroep, maar alleen cassatie toegelaten.

Het doet er niets toe, dat in dat geval zelfs niet blijkt, dat de vordering eene waarde van meer dan f 50.— beloopt en dus icellicht tot de bevoegdheid van het districtsgerecht behoorde, omdat dit niet weg neemt, dat het vonnis, waarvan in casu cassatie is aangeteekend, al ware het ook ten onrechte, in elk geval blijkbaar in het eerste ressort is gewezen.

Maharadja Tagor, wonende te Si Pirok, van beroep Soekoe,

reqnirant van cassatie,

contra

1. Djamaloedin, van beroep politieoppasser; 2. Dja Marajar, van beroep landbouwer; 3. Dja Si Bar, van beroep landbouwer; 4. Dja Balebas, van beroep landbouwer; allen wonende te Si Pirok gerequireerden.

HET IIOOG-GERECIITSHOF VAN NEDERLANDSCH-INDIË,

Gelezen het door den Rapat te Si Pirok op den 30en Juni 1894 tusschen <len thans requirant van cassatie en den Inlander