is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1895, 01-01-1895

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zitting van 4 Juli 1895. Voorzitter: als voren.

Art. 78 Burg. Rechtsv. — Verstek. — Gegrondheid der vordering.

Wanneer de rechter, verstek tegen den niet verschenen gedaagde verleend hebbende, aanneemt, dat — aangezien het door eischer tot staving zijner vordering overgelegd geschrift, als niet behoorlijk gezegeld, buiten het geding moet worden gesteld — aan eischer de grond zijner vordering is komen te vervallen en dat daarom die vordering als ongegrond moet worden ontzegd, dan heeft hij bedoeld, dat de vordering bij gebrek aan bewijsgrond ontzegd moet worden.

Door die beslissing is art. 78 van het Regl. op de Burg. Rechtsv. verkeerd toegepast, aangezien die wetsbepaling onmiskenbaar de strekking heeft om, na verstekverleening, het vorderen van beu ijs van den eischer uit te sluiten.

Johannes Wilhelmus George van Hek, zonder beroep, wonende te Semarang, requirant van cassatie, comp. hij den Adv. en Proe. Mr. <T. Gerritzen, contra

Samucl Theodorus Abels, van beroep graveur, wonende te Semarang, gorequircerde, comp. bij den Adv. en Proc Mr. T. Henny.

HET HOOG-GERECHTSHOF VAN NEDERLANDSCII-INDIË,

Gelezen liet vonnis door den Raad van Justitie te Semarang, op den 9den Mei 1894, tussehen den requirant van cassatie, als eischer, en den gerequireerde van cassatie, als gedaagde non comparant gewezen, waarbij met buiten gedingstelling van de verklaring: „He ondergeteekende Samuel Theodorus Abels, „van beroep graveur, neemt aan deze bovengenoemde som van ,ƒ 310.— voor zijne moeder .T. C. van Hek, weduwe Abels, te