is toegevoegd aan uw favorieten.

Aanleg en beroep; maandblad voor beroepskeuze, jrg 3, 1927, 01-06-1927

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van kuischheid daarmee verbonden wordt, is niet voldoende om een staat te fundeeren ; want die staat zou de drie evangelische raadgevingen vorderen. Dat verder de inwendige volmaaktheid vereischt wordt tot het waardig uitoefenen der heilige bedieningen, mag niet worden ontkend doch doet niet ter zake: want inwendige geestelijke toename kan ons wel voeren tot den staat van volmaaktheid in het oog en naar het oordeel van God, maar voor de kerk eischt die staat accres in wat uitwendig gebeurt (II II q. 184 a. 4 ad. 2). Men kan dus niet zeggen dat de wijding hen eenvoudig en zonder meer brengt in den staat van volmaaktheid. De zielzorg evenmin. De band toch is niet eeuwig. Zoo kan b.v. een aartsdiaken of deken zijn kudde verlaten om in het klooster te treden, of zijn aartsdiakonaat ofwel dekenaat prijsgeven om eenvoudige prebende te aanvaarden zonder zielzorg. Iets dergelijks zou niet kunnen, als zijn zielzorg hem in den staat van volmaaktheid stelde: want „niemand die zijn hand aan den ploeg slaat en achterwaarts omziet, is geschikt voor het koninkrijk Gods." (Luk. IX 62). St. Thomas voegt er nog aan toe, dat de gewone zielzorgers slechts helpers van den bisschop zijn en hunne taak in afhankelijkheid van den bisschop uitoefenen : dat hunne aanstelling niet door een plechtige consecratie, maar door een eenvoudige opdracht en installatie geschiedt; dat zij ten slotte op slechts secundaire wijze den plicht hebben hun leven te geven voor hun schaapjes. Laten wij dus zeggen, zoo besluit Sint Thomas, dat zij veeleer een ambt hebben, dat met de volmaaktheid verband houdt, dan dat zij komen in den staat van volmaaktheid. (II II q. 184 a. 6 ad 3).

Het zou verkeerd zijn te meenen, dat de groote leeraar, met al die beschouwingen en redeneeringen, een min of meer zonderlinge meening en een louter persoonlijke opvatting

belichtte en verdedigde. St. Thomas stond op het standpunt, dat in dien tijd door het kerkelijk recht werd ingenomen. Waar het de gewone priesters en zielzorgers betrof, sprak het recht van die dagen enkel van graad of rang, niet van staat. Hij haalt twee teksten aan in zijn werkje over de volmaaktheid van het geestelijk leven hoofdstuk XXIII: „hij vervalle van zijn eigen rang" — „uit zijn rang gestooten."

Bovendien, ondanks den hevigen strijd, waarin hij was gemengd, bleef de Aquiner volkomen redelijk en billijk. Waar we hem hoorden zeggen, dat de priester ten gevolge van zijn wijding niet „simpliciter d.i. eenvoudig en zonder meer" in den staat van volmaaktheid geraakt, erkende hij wel dat hij daarin komt „secundum quid d.i. eenigermate en op beperkte en onvolmaakte wijze." Dat ligt in zijn eigen woorden en uitdrukkingen opgesloten ; en daar dwong hem de gelofte van kuischheid toe, die ook te dien tijde met de hoogere wijdingen onafscheidelijk verbonden was, althans in het Westen. Eenmaal minstens noemt hij de clericatuur staat van volmaaktheid, n.1. II II q. 111 2 ad 2: maar het is duidelijk, dat hij dan staat neemt in oneigenlijken of breederen zin.

Artikel III.

Meer dan drie eeuwen later heeft de geleerde Jezuiet Franciscus Suarez een mildere opvatting voorgestaan in zijn werk. De Religione P. II Tract. VII L. I. cap. XVII Er is volgens hem een begin van staat, door het feit der priesterwijding ; en wanneer later het ambt van aartsdiaken of pastoor zich daaraan komt toevoegen, nadert de staat zijn voltooiing. De ontleding zijner bewijzen zou ons te ver voeren. — Maar zelfs van den priester, die geen eigen kudde heeft, kan men zeggen, zonder aan het woord een bizonder breeden zin te geven, dat hij