is toegevoegd aan uw favorieten.

Jezuïeten-missies; maandschrift, 1938, no 26, 01-01-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik had het dezen morgen over de liefde. Na een tijdje onderbrak Rina de les.

« Moeten we dan van God meer houden, dan van vader en van moeder P

— Zeker, Rina.

— Meer dan van moeder ? » herhaalde ze nadenkend.

« Voor een zieltje dat Hem zoo bemint, zet God terstond de deur van den hemel open.

— En als Fransje nu eens dood ging, Juffrouw ?

— Dan vloog hij recht in de armen van Jezus.

— En ik ?

— Jij ook. »

Wat later heb ik haar leeren met roode en blauwe wol vierkantjes teekenen op een stramien. Onder het borduren herhaalde ze nog een paar keeren : « God meer dan moeder... en dan mag je direct den hemel in; heerlijk, zeg ! » Maar het handwerkje schoot niet op en de kleuren geraakten verward. Toen ik nog eens kwam voordoen, zei ze : « Ik kan niet, Juffrouw — en met haar handje op haar hart — het doet hier zoo zeer.

— Probeer nog maar eens, kindje. Ik denk dat je lust voelt om met Rik te gaan ravotten.

— Neen, heusch waar, Juffrouw, ik heb zoo 'n pijn hier. »

Ze liet zich op haar stoel achteruit glijden. Werkelijk haar

bruine blinkende wangen zagen er nu mat uit en grauw. Ik ging Mevrouw roepen en samen brachten we het kind naar bed. Nog kon ik me niet indenken dat het erg was.

« Heb je aan de jujube gezeten, Rina ? » vroeg Mevrouw.

« Neen, moeke.

— Groene loekwarten (1 ) gegeten ?

— Ook niet, moeke. »

Bij het vallen van den avond ben ik nog eens gaan hooren hoe Rina het stelde. De dokter kon niet raden waaraan die plotse ongesteldheid toe te schrijven. Het kind verergerde zienderoogen. Nu vraagt Mevrouw, Pater, of u eens komen wilt. »

In de stad heerschte de gewone avonddrukte.

(1) Sappige Zuid-Afrikaansche vrucht.

IHS