is toegevoegd aan je favorieten.

De gereformeerde kerk, jrg 39, 1926-1927, no 2030, 01-09-1927

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

haar bestrijder maar niet overtuigen en zou nu zoo graag willen, dat wij die vraag eens voor haar beantwoordden.

A?itwoord. Het is mogelijk, dat een Christenmensch met blijdschap ligt op zijn sterfbed, ten volle van zijn aandeel aan de zaligheid verzekerd. De Heidelbergsche Catechismus laat den geloovigen antwoorder in het antwoord op de eerste vraag verklaren: „waartoe hij mij ook door Ziin °TTfiilifi'en Geest des eeuwigen levens

verzekert", etc. En de apostel verklaart omtrent den Heiligen Geest: „diezelve Geest getuigt met onzen Geest, dat wij kinderen Gods zijn."

Er is dus zulk een innerlijke verzekerdheid mogelijk. En waar die verzekerdheid 1 ,34 ~ A wnrHt. 7a tl 1 Zli OOk, ais

lUVUXIlilg, —7 -

de lichaamsgesteldheid het toelaat, een opgewekte en vreugdevolle stemming te

weeg brengen.

Toch gaat het niet aan om zulke gevoelens en stemmingen te maken tot de kenmerken van het ware Christendom in het leven of in de stervensure, want dan wijst men daardoor een anderen weg ter zaligheid dan Gods Woord ons aanwijst. Bat Woord leert ons:

,,/Je rechtvaardige zal uit het geloof leven." Anders niet.

Dienovereenkomstig verklaart de geloovige antwoorder in den Catechismus dat, hoewel zijn geweten hem beklaagt, dat hij tegen alle geboden Gods heeft gezondigd, geen derzelve heeft gehouden en nog steeds tot alle boosheid geneigd is, nochtans God, uit loutere genade, hem de genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus toerekent, evenals had hij nooit

ZotiHa 'orp.Tifl.rl nooll gedaan.

Wat die antwoorder gevoelde, dat was

AA"n -iror>lrl Q.Cf ATI H CA Weten.

Wat hij geloofde, dat was, dat God hem nochtans om Christus' wille in genade aannam.

r»n„T.oQn mnptfin wii ons houden en er

x/aicui.«/w" o .. -ï

niet wat anders bijmaken of bij verlangen.

r/cAiyt ipiïïiand: Ja maar, wan-

neer een stervende zegt: ik geloof, wie ver¬

zekert ons dan dat dat een waar geiou* « en niet maar bloot een historisch geloof i Wij antwoorden: neen, dat kunnen wij „w uitmaken, maar dat geldt even-

V cüctiv IWW , ^

zeer van al die gevoelens en van die sternTYimcrm. waarvan velen ons weten te ver¬

halen. Wie verzekert ons, dat het werkelijk uitingen zijn van een oprecht geloof en dat ze niet zijn vruchten van een ingebeeld geloof of gevolg van de werking der

zenuwen! Wij, die dit scnrijven, neuuen er persoonlijk wel bijgestaan, dat iemand op zijn sterfbed zich gedroeg, geheel volgens de voorschriften, die door sommigen gegeven werden voor een echt-christelijk sterfbed. Hij deed niets dan juichen en betuigen, dat God hem van eeuwigheid had liefgehad. Natuurlijk dachtèn wij er niet aan om in den stoel van den Eeuwigen Hechter plaats te nemen en hem te gaan oordeelen, maar wij wisten van dien stervende hoe veel hij in zijn leven had misdreven en wij hadden veel liever een ootmoedige schuldbelijdenis gehoord en een oprechte bede om genade bij God.

Want waar dat laatste waarlijk voorhanden is, daar is o.i. alles wat ter zaligheid van noode is.

Trmiwp.ns als cii de voorbeelden van een

zalig sterven, die de Bijbel ons geeft, nagaat (er zijn er niet zooveel), wat vindt gij daarbij dan van die gevoelens en stemmingen, die velen eischen en die ze oneindig veel hooger schatten dan een oprecht geloof ?

De moordenaar aan het kruis had:

le. een ootmoedige zelfveroordeeling (,,wij ontvangen waardig hetgeen wij gedaan hebben");

2e. een betuiging dat Jezus een onschuldig Lam was („Deze heeft niets onbehoorlijks gedaan");

3e. een vermaning tot zijn medezondaar („Vreest ook gij God niet?");

4e. een bede tot Jezus om Zijn genade („Gedenk mijner, wanneer Gij in Uw koninkrijk zult gekomen zijn").

Wio val ' "t", AUQ.ffon fo r/Q/Yffrm • rl o f nrQC Til At,

TT iW "Wi V >1 MlgVjLi ÜV/ * VV CVkJ "

genoeg ? Wie meer eischt stelt onchristelijke, onbijbelsche eischen en wijst dus een anderen weg aan, ter zaligheid, dan Gods Woord ons aanwijst.

En ga nu uw geheelen Bijbel en Catechismus door en zoek, of gij er iets in vindt, van al die lichtjes en gezichtjes en die sterretjes en die voorkominkjes en die gevoelentjes en die ditjes en die datjès, die men tegenwoordig in ziekelijke kringen bij een stervende verlangt.

„Daar staat wel: de rechtvaardige zal uit het geloof leven," maar dat vindt men lang niet genoeg.

Eigenlijk geldt dan van dit geslacht: „zij hebben mijn Woord verworpen; wat wijsheid zouden zij nog hebben?"

Wat Dr. Kohlbrugge betreft, hij zou dan

op zijn laatste sponde gezegd hebben: „ik heb niets en gevoel niets, maar ik geloof. Dat vond men treurig.

De Bondsman had dan ongetwijfeld liever wat anders vernomen, b.v. zoo iets als: ik heb veel, en ik gevoel veel, maar het geloof komt er bij mij niet op aan.

ö • 1 . J. nrll 4-

Maar zoo iemana weet u,»n mou

het geloof is! .. ,

Het geloof is de hand, waarmede wij het heil buiten onszelf zoeken.

Het geloof is de band, die ons aan aen eenigen rijken Zaligmaker verbindt.

Eigenlijk is, om recht te kunnen gelooven in Jezus Christus, noodig, dat wij eerst niets hebben en niets gevoelen (waaraan wij waarde hechten) in onszelven.

Want Tinolansr wii waardevolle dingen

, , — O O

hebben en gevoelen in onszelven, zoolang zullen wij daarin ook onze rust zoeken «n meen en te vinden.

Zoodra wij echter alles wat waarde heeft in onszelf kwijt raken en niets meer hebben

of gevoelen, waarmee wij het wagen dur¬

ven voor de eeuwigneia, dan eeist K-axi iieu komen tot een oprecht geloof, dat is tot een zoeken van den rechten grond buiten ons zelf. Dan eerst kan het worden een:

Heere Jezus, ik ben m mijzelf verloren; riet mnp.t ik erkennen, maar Gij ziit er

nog, en Uw naam is Zaligmaker. Erbarm U mijner!

En dan begint de psalmdichter opeens te zingen:

't Nooddruftig volk in hunne nooden, In hun ellende en pijn,

Gansch hulpeloos tot Hem gevloden, Zal Hij ten Redder zijn.

Ja, maar wij ontvangen toch zoo graag blijken, dat het geloof, waarvan men spreekt, een waar geloof is," zoo zal misschien de ver oordeelaar van Dr. Kohlbrugge zeggen.

Volkomen terecht, maar hóéft Dr. Kohlbrugge gedurende zijn geheele leven dan van zulke blijken niets gegeven ?

In het boek van Dr. Lonkhuizen over ril- Knhlhrusïffe lazen wii, dat K., toen hij

U mijner!

En dan begint de psaimuiciiiex: opeens

te zingen:

't Nooddruftig volk in hunne nooden, In hun ellende en pijn,

Gansch hulpeloos tot Hem gevloden, Zal Hij ten Redder zijn.

Ta tyia.a.r wii ontvangen toch zoo graag

tJ CVj " J o — —

blijken, dat het geloof, waarvan men spreekt, een waar geloof is," zoo zal mis-

1 . . , i 1 T \ » TT^Vtl-

schien de verooraeeiaar van uj.. ^ brugge zeggen.

Volkomen terecht, maar hééft Dr. Kohlbrugge gednrende zijn geheele leven dan van zulke blijken niets gegeven ?

In het boek van Dr. Lonkhuizen over Dr. Kohlbrugge lazen wij, dat K., toen hij in zijn laatste jaren, maar zijnde nog gezond, met zijn leerlingen eens catechiseerde, hij eens het versje voor hen opzeide:

„In Christus is mijn leven,

En 't sterven mijn gewin.

Hem heb ik mij gegeven.

Nu vaar 'k in vreugd daarheen.

(Wij vertalen dit gebrekkiglijk uit het Dnitsch.1

En toen hij dat had opgezegd, zei hij tot zijn leerlingen: als gij eens rondom mijn graf staat, dan verzoek ik u. dat te willen

zingen.

ÖTirofi irt om vart al het andere te zwiigen.

uit zulk een aandoenlijk woord niet genoeg

wat de grond van L>r. iv. s nope was s Wii Vir-hlv-Ti oraame. dat iemand zijn ge

loof uitspreekt, beide in leven en in sterven. Maar als het er op aankomt, zien wij het nog liever in gezonde dagen alleen, An-n in «t,p»rvpiti alleen.

V^CAIXJ. J.XA • —

Want als men in gezonde dagen den Heere begeert, dan is dat het beste bewijs, dat het maar niet alleen gaat om de hel te ontkomen en den hemel te verwerven, maar -lot hot 09.at, om den Heere zelf en Zijn eer.

Wij voegen hier nog bij, dat de dichter -no fWtn trien hii od sterven lag, even

JL/CU vuwuuij — O JL _ 11

weinig opgewekt was m zijn gevoei ais Kohl brugge het volgens zegsman geweest is.

Dat kan hebben gelegen aau ue g«uv.uheid van het lichaam, of aan de gesteldheid van den menschelijken geest, die zoo nauw aan het lichaam is verbonden.

Ook moeten wij bedenken, dat, ook in zulke dingen, de Heere God Zich geen weg laat voorschrijven, maar vrij blijft m Zijn bedeelingen.

Dit staat echter vast:

De Heere Jezus heeft nooit gezegd: wie vele gevoelens en stemmingen heeft doorgemaakt, zal daardoor den hemel verwerven.

Wel staat er:

„Wie in den Zoon gelooft heeft het eeuwige leven en komt niet in de verdoemenis.'

En:

„Komt tot Mij, gij allen, die vermoeid zijt en beladen en Ik zal u ruste geven."

En wéé, wéé, wéé wie het anders leert!

Na het schrijven van het bovenstaande ontvingen wij nadere inlichtengen omtrent het sterven van Dr. Kohlbrugge.

Daarover dus een volgende maal! d.H. C. A. L

„Komt tot Mij, gij allen, die vermoeid zijt en beladen en Ik zal u ruste geven."

is gesteld. De schriftelijke kerkvisitatie brengt droeve dingen aan het licht.

Maar wat dunkt u van het volgende ?

In eene vacante gemeente werd door den consulent bekend gemaakt, dat het Avondmaal zou worden bediend, indien men van te voren zich bij den kerkeraad aanmeldde, dat men daaraan deel wenschte te nemen.

Iemand, die bij deze afkondiging in de kerk was, vertelde me dit.

Waar ik meen, dat zoo iets maar eens in het publiek moet gesignaleerd worden, dank ik U voor de opname.

J. A. ten BOKKEL Huinink, Numansdorp, 20 Aug. '27. F. D. M.

Deze avondmaalspraktijk van hen, die zich in onze kerk „Gereformeerd" achten bij uitnemendheid, en alleen zuiver in deze, die zich misschien Calvinisten noemen, staat wel vierkant tegenover de avondmaalspraktijk van Calvijn in Genève Eigenaardig, dat in het niet zingen var gezangen, die Jezus' verzoenend lijden er sterven verheerlijken en in het nalatex van de verkondiging van Zijn zoendooc aan den Disch des N. Verbonds en hel verzwijgen van het evangelie van Zijn vol bracht werk deze met vrijzinnigen overeen stemmen. Les extrêmes se touchent.

't Schijnt ons met den inzender van ver leden week ook zeer gewenscht, dat op deze dingen in de Waarheidsvriend eens de aandacht gevestigd werd. Nog minder dan liel N. Test. lied mag de Disch des N. Testa ments worden prijsgegeven.

T PTJ TC

meldde, dat men daaraan deel wenschte te

nemen.

Iemand, die bij deze afkondiging in de kerk was, vertelde me dit.

Waar ik meen, dat zoo iets maar eens in het publiek moet gesignaleerd worden, dank ik U voor de opname.

J. A. ten Bokkel Huiotnk, Numansdorp, 20 Aug. '27. F. D. M.

Deze avondmaalspraktijk van hen, die zich in onze kerk „Gereformeerd" achten

bii uitnemendheid, en alleen zuiver m aeze,

J _ . t • /~i 7 * *i

die zich misschien uamnisien noemen, staat wel vierkant tegenover de avondmaalspraktijk van Calvijn in Genève. Eigenaardig, dat in het niet zingen van gezangen, die Jezus' verzoenend lijden en sterven verheerlijken en in het nalaten van de verkondiging van Zijn zoendood aan den Disch des N. Verbonds en het verzwijgen van het evangelie van Zijn volbracht werk deze met vrijzinnigen overeenstemmen. Les extrêmes se touchent.

't Schijnt ons met den inzender van ver leden week ook zeer gewenscht, dat op deze dingen in de Waarheidsvriend eens de aandacht gevestigd werd. Nog minder dan liet N. Test. lied mag de Disch des N. Testaments worden prijsgegeven.

J. CH. K.

Confessioneelen en Gereformeerde-bonders.

Geachte Redactie,

In de Waarheidsvriend van 22 Juli staaf een stukje geschreven over Confessioneeleij en Gereformeerden. Wij willen nu maar niel schrijven over den titel „Gereformeerd' en „Confessioneel", waardoor de confessio neelen dadelijk gebrandmerkt worden als zijnde niet zuiver gereformeerd- Daar zijr we aan gewoon.

Ds. van Grieken verstaat de kunst, on al hetgeen de Bond doet als heel onschuldig

En wéé, wéé, wéé wie het anders leert!

Na het schrijven van het bovenstaande ontvingen wij nadere inlichtengen omtrent het sterven van Dr. Kohlbrugge.

Daarover dus een volgende maal! d.H. C. A. L.

INGEZONDEN.

Eerst afschaffing van het lied, dan van den Disch des Nieuwen Testaments?

Geachte Redactie,

Het is bekend, dat het met de Avondmaalspraktijk in vele gemeenten treurig

Geachte Redactie,

In de Waarheidsvriend van 22 Juli staat

een stukje geschreven over Confessioneelen en Gereformeerden. Wij willen nu maar niet schrijven over den titel „Gereformeerd"

en „Confessioneel , waardoor de coniessioneelen dadelijk gebrandmerkt worden als zijnde niet zuiver gereformeerd- Daar zijn

we aan gewoon.

Ds. van Grieken verstaat de kunst, om al hetgeen de Bond doet als heel onschuldig

voor te stellen. Loo ook net bezetten van

de beide predikantsplaatsen m Schoon¬

hoven.

In Schoonhoven was een Confessioneel predikant naast een Gereformeerde-bonder. De Bond neemt in de plaats daarvan een bondspredikant.

In Hattem was nog nooit een Bondspredikant geweest. In plaats van nu een Bondspredikant te nemen en een Confessioneel, eischt men beide predikantsplaatsen

voor zich op.

Pan wordt gewezen op Woerden, Gouda, Alphen enz. Het klinkt mooi.

Maar wat doet de Bond?

Voor zoover wij weten heeft nog nooit een meerderheid van den Bond medegewerkt tot het beroepen van een Confessioneel predikant, terwijl de Confessioneelen wel hebben medegewerkt tot de vestiging van een Bondspredikant.

Het moge dan niet vaak voorkomen. Van den Bond weten wij niet anders of dat ze het nog nooit officieel hebben gedaan.

Trmiwens. als de Confessioneelen door

velen van den Bond versleten worden voor halve w&arheidsmenschen, kan men van den Bond ook niet anders verwachten.

Mocht ik in dezen geen gelijk hebben, dan zal het mij zeer aangenaam zijn, wanneer Ds. van Grieken in dit uw blad met een paar regels mijn vergissing kan aantoonen.

In Delft lijkt het er tenminste nog niet op. We hebben wel gelezen in de Waarheidsvriend, dat een Confessioneel predikant beleefd werd verzocht met allerlei vrome woorden door een bondspredikant om over te komen. Maar wat later wordt door dienzelfden man in verbond met anderen hem den oorlog verklaard met de bedreiging, dat als hij mocht komen, er dan tegen hem zal worden „geëvangeliseerd".

Ziehier, geachte Redacteur, waarom ik plaatsing van het bovenstaande vraag in

Lw blad-

Uw lezer,

Wezep, 15 Aug. '27. E. Immeker.

Tegelijk met het bovenstaande ontving ik, wat vertraagd, wijl mij nagezonden aan mijn vacantieadres, het volgende bericht.

Door 289 belijdende leden der Ned. Hervormde Gemeente te Enter (0.), zijnde twee-derde van het geheele aantal, is onlangs aan den Kerkeraad het verzoek genekt, om in de bestaande vacature een piedikant van Confessioneele beginselen te beroepen. r>0 Wr,i™r.a„A cnhter. zuiver(?) „gerefor-

1VU1 CAJ CAI VA VW""- — ; - ' . »

meerd" zijnde, heeft gemeend hierop ai-

wijzend te moeten uesuimyvon. beslissing is de toestand in de gemeente niet verbeterd.

na Van rWfilrfin beeft eens naar aan-

Ds. Van Grieken heeft eens naar aanleiding van de kwestie Schoonhoven met een beroep op Voetius sympathiek geschreven over de rechten der verscheidenheden".

Nu de Kerkeraad te Sch. zich aan een dergelijk recht niet heeft gestoord, hadden we ook wel iets anders verwacht dan het stuk, waarop de heer I. doelt, waarin Ds. Van Grieken met geen enkel woord den kerkeraad terechtwijst, maar alleen aan het adres van de Confessioneelen, die tegen de kerkeraadsbeschikking van Sch. ingaan 't verwijt richt: „Gij, Confessio/Ir>o+. 't crApn waartecren mi te Seh.

een beroep op Voetius sympawneK geschreven over de rechten der verscheidenheden".

Nu de Kerkeraad te Sch. zich aan een dergelijk recht niet heeft gestoord, hadden we ook wel iets anders verwacht dan het stuk, waarop de heer I. doelt, waarin Ds. Van Grieken met geen enkel woord den kerkeraad terechtwijst, maar alleen aan het adres van de Confessioneelen, die tegen de kerkeraadsbeschikking van Sch. ingaan 't verwijt richt: „Gij, Confessioneelen doet 't geen waartegen gij te Sch. protesteert elders zelf."

TWfin.Vit herinnert, de heer Immeker er¬

aan dat er tenminste confessioneelen zijn, die 't geen Ds. van Grieken in theorie voorstond, in praktijk brengen, terwijl hem geen Gereforfneerde-bonders bekend zijn, die 't zelfde doen.

't Bericht uit Enter geeft hieromtrent ook geen hooggespannen verwachting.

Ook staan Gereformeerde-bonders tegenover het „evangeliseeren" in orthodoxe gemeenten heel anders dan confessioneelen. Voor een conferentie, die het Hoofdbestuur der C.V.hierover wilde bijeenroepen, voelde men van die zijde niet. We hopen zeer, dat dit anders gaat worden, nu men de vruchten van dat wilde „evangeliseeren" zelf gaat oogsten b.v. te Nunspeet, waar een evangelisatie, van Geref. bonders uitgegaan, nu ook tegen sommige Geref. bondspredikanten „evangeliseert". In Delft wordt reeds aan meerdere Gereformeerde-bonders

door de fractie Zandt t zelfde brandmerk opgedrukt, dat zij elders Confessioneelen opdrukten en moeten ze zelf het hatelijke van gezangenkwesties ondervinden.

Wat Ds. Van Grieken betreft, gaarne geloof ik van hem, dat hij zijn theorie omtrent het recht der verscheidenheden zou willen omzetten in praktijk, hoewel zijn volgelingen hem dit niet gemakkelijk maken, 'k Blijf zijn opkomen voor het N. Testamentisch lied waardeeren. Ook was hij het, die de handelwijze tegenover den te Delft beroepen conf. predikant openlijk signaleerde. Zelf schreef hij daarvan het volgende:

,,Sept. 1925 is Ds. Zandt lid van de Tweede Kamer geworden. Sinds is en blijft er een vacature te Delft. Door allerlei mogelijke en onmogelijke protesten heeft „de fractieDs. Zandt" de zaak slepende gehouden en zoo kwam stukje voor stukje en voetje voor voetje eindelijk in 1927 het beroepen van een predikant, n.1. Ds. Veldhoen, van Alphen, een bekend confessioneel predikant. In den tijd van beslissing schreef Ds. Lekkerkerker een brief aan Ds. V., waarin deze z'n blijdschap betuigde, dat Ds. V. beroepen was, het zou hem hartelijk verblijden als Ds. V. het beroep aannam en hij bad hem toe bij zijn beslissing de voorlichting des Heiligen Geestes. Maar een paar dagen later ontving Ds. V. een schrijven, onderteekend door Ds. Lekkerkerker, Ds. Leenmans en Ds. Zandt, waarin men hem berichtte, dat de Gereformeerde Kiesvereeniging een besluit genomen had om te gaan evangeliseeren, ingeval Ds. V. het beroep naar D. aannam. „De fractie-Ds. Zandt" had dat in de Gereformeerde Kiesvereeniging voor elkaar gekregen en die het er niet mee eens waren, werden eenvoudig buiten de gemeenschap gezet. Zoo handelt men met predikanten, die niet precies 't zelfde gevoelen als de „fractie Ds. Zandt", waarvan o.a. ook de Delftsche predikant Ds. Lammerink dezelfde droeve ervaring heeft opgedaan. Dominé's, ouderlingen, diakenen, onderwijzers en zooveel menschen meer nog, worden eenvoudig op den grooten hoop geworpen en zonder pardon wordt gezegd en geschreven niet dat er verschillen zijn, maar dat men „goed remonstrantsch, doch slecht gereformeerd is" en dat men (en ziet, dat is het ergste en het vreeselijkste) „wel den schijn, maar niet het wezen van de godzaligheid bezit".

„Sept. 1925 is Ds. Zandt lid van de Tweede Kamer geworden. Sinds is en blijft er een vacature te Delft. Door allerlei mogelijke en onmogelijke protesten heeft ,,de fractieDs. Zandt" de zaak slepende gehouden en zoo kwam stukje voor stukje en voetje voor voetje eindelijk in 1927 het beroepen van een predikant, n.1. Ds. Veldhoen, van Alphen, een bekend confessioneel predikant. In den tijd van beslissing schreef Ds. Lekkerkerker een brief aan Ds. V., waarin deze z'n blijdschap betuigde, dat Ds. V. beroepen was, het zou hem hartelijk verblijden als Ds. V. het beroep aannam en hij bad hem toe bij zijn beslissing de voorlichting des Heiligen Geestes. Maar een paar dagen later ontving Ds. V. een schrijven, onderteekend door Ds. Lekkerkerker, Ds. Leenmans en Ds. Zandt, waarin men hem berichtte, dat de Gereformeerde Kiesvereeniging een besluit genomen had om te gaan evangeliseeren, ingeval Ds. V. het beroep naar D. aannam. „De fractie-Ds. Zandt" had dat in de Gereformeerde Kiesvereeniging voor elkaar gekregen en die het er niet mee eens waren, werden eenvoudig buiten de gemeenschap gezet. Zoo handelt men met predikanten, die niet precies t zelfde gevoelen als de „fractie Ds. Zandt", waarvan o.a. ook de Delftsche predikant Ds. Lammerink dezelfde droeve ervaring heeft opgedaan. Dominé's, ouderlingen, diakenen, onderwijzers en zooveel menschen meer nog, worden eenvoudig op den grooten hoop geworpen en zonder pardon wordt gezegd en geschreven niet dat er verschillen zijn, maar dat men „goed remonstrantsch, doch slecht gereformeerd is" en dat men (en ziet, dat is het ergste en het vreeselijkste) „wel den schijn, maar niet het wezen van de godzaligheid bezit".

Zoo wordt de practijk van het Delftsche kerkelijk leven bij „de fractie-Ds. Zandt niet meer Christus in het midden, maar de partij. Men vraagt niet of men van Christus is, maar of men van „de fractie-Ds. Zandt" is — en Gods Woord ligt voor ons, om ons tegen zulke gruwelijke dingen te waarschuwen.

Ds. van Grieken keurt dit tot onze blijdschap af.

Toch geloof ik met den heer Immeker, dat hier slechts een consequentie gezien wordt van houding en optreden van de Gereformeerde-bonders elders.

Zullen we nu zeggen: Wij confessioneelen doen zoo niet ?

En zal dit ons laatste woord zijn ?

Daarin zou m.i. metterdaad iets eigengerechtig brave-Hendrikachtigs zijn. 'k Geloof, dat we moeten zeggen: Hier