is toegevoegd aan je favorieten.

De gereformeerde kerk, jrg 42, 1929-1930, no 2158, 13-02-1930

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

42e JAARGANG - OCT. 1929-O CT, 1930

No. 2158

DONDERDAG 13 FEBRUARI

DG ©tfMfoitmüünta Rwk

Onder redactie van het Comité ter verspreiding der beginselen van de Confessioneele Vereeniging

Dr. J. Ch. KROMSIGT tc Rinsumagcest (Eindredacteur); Ds. H. BAKKER te Amsterdam; Ds. J. SCHOKKING

Prof. Dr, Th. L. HAITJEMA te Groningen; Dr, P. J, KROMSIGT te Amsterdam; Ds. C. A. LI

. _ - — i ™»rrrr,T 'n-nMiroflhafffc

te s-Ciravennage; JJs. A. lü winajuu lc

Dit blad verschijnt wekelijks. Alles wat de redactie aangaat en boeken ter recensie zende men aan ür. J. Ch. KROMSIGT, Rinsumageest (Fr*)* Vragen voor de Vragenbus uitsluitend aan Ds. C. A. L.1NGBEEK. Sportlaan 95, 's-Gravenhage; Kerknieuws-berichten aan H. VEENIVlAN & ZONEN te Wageningen. Voor advert. en alles wat de administratie betreft wende men zich tot de Uitgevers.

UITG. : F\ H. VEENMAN &

WAGENINGEN d n srnrif R NING > 12940 'TELEFOON 184 j

POSTREKENING *12940

. /< • A lr/\ n ■irnm nne i A rtfo

Prijs f5.—, buitenl. en kol. i t>.— p. jaar. miuuueuuM

Priis der advertentiën: Van 1—10 regels f2.—, elke regel meer 20

cents. Boekannonees 10 cents ;per regel. Bewijsnummers a 10 cents.

a ^nnriomnnten worden bij ieder nummer aangenomen, doch kunnen

i alleen eindigen bij het einde van den jaargang, September van ïeüer jaar

n

i

INHOUD: Jezus Christus, het waarachtige Licht. — ls leertucht onbijbelsch? Hl — Geheel in den stijl. — Modus Vivendi ? — Het beloofde verslag. — Brieven uit Drente III. — Ingezonden. — Fonds voor kerkelijke en kerkrechtelijke geschriften. — Bijzondere leerstoelen. — Studiefonds, — Leestafel. — Kerknieuws. "— Advertentiën.

JEZUS CHRISTUS, HET WAARACHTIGE c LICHT.

I

Dit was het waarachtige licht, n hetwelk verlicht een iegelijk mensch, y komende in de wereld. Joh. 1 : 9. s

>i

Er leefde onder de oude Grieken een sage. d Prometheus, de vader van het menschelijk ^ geslacht, zou om den mensch het leven op d deze aarde gelukkig te maken, aan de on- z sterfelijke goden een vonksken van het e eeuwige licht hebben ontstolen en dat vuur ^ uit den hemel op aarde hebben overgebracht, waardoor hij de lichtbrenger voor 1 de wereld, de groote weldoener der men- 8 schen geworden is.

In die sage ligt een schoone gedachte, en s Wel deze: wat de mensch hier op aarde aan * licht en leven bezit, is niet uit de aarde ge- 1 Worden, maar is een hemelsche vonk, een £ goddelijke gave.

Doch geen Prometheus heeft dit vuur 4 gestolen, geen sterfelijk mensch heeft deze hemelsche lichtvonk op de aarde gebracht. 1 Maar die het waarachtige licht in deze we- > reld geopenbaard heeft, is de eeniggeboren jJ 2oon des Vaders, die van eeuwigheid bij ! den. Vader was, en uit God, de bron van alle licht, heeft Hij licht en leven in de duisternis dezer wereld ingebracht.

Ja van uit den hemel is in Christus Jezus het licht der wereld opgegaan. Van uit den ®choot des eeuwigen Gods heeft Hij genade e«. waarheid, leven en zaligheid aan het , licht gebracht.

Daarom kon die Zoon spreken: „de woor- j den, die Ik spreek, zijn geest en leven. Wie j ttiy gezien heeit, die heeft den Vader gezien, j ®er Abraham was, ben Ik. Ik en de Vader ziJn één". En als Hij dat zegt, dan is dat geen inbeelding als van een, die waanzinnige droomen droomt, geen aanmatiging als van een dweper, maar dan zijn dat duidelijke, welbewuste majesteits-getuigenis8eh van Hem, die naar Zijn goddelijke na^Uur anders en meer was dan de wijste en edelste onder de kinderen der menschen, i aHders en meer dan de verhevenste en reinste van het hemelsch engelenheir, die Was en, is de eeuwige Zoon des Vaders, die God was vóór de grondlegging der

Wereld.

En al wat door dien Zoon hier op aarde ls gedacht en verkondigd en gedaan, al wat hier op aarde van zijn diepste wezen tot üiting kwam,dat zijn altemaal herinneringen Ult den schoot des Vaders, waaruit Hij in deze wereld neerdaalde, dat zijn altemaal lichtstralen uit die zee van licht, die omrihgt den troon van den driemaal heiligen C°d, die woont in het volmaakte licht, ontoegankelijk voor een zondig menschen-

kind.

"Dit was het waarachtige licht, hetwelk ^erlicht een iegelijk mensch, komende in de Wereld." Jezus Christus, het waarachtige

licht. En dat ..waarachtig" hebben wij d&n r:* te nemen als tegenstelling van ,,valsch . ]i; Zeker daar is in de zondige wereld ook wel licht, tenminste veel dat zich als licht voor- zi doet, dat een schijn van licht heeft. Hult rt de zonde zelf niet vaak in schoon-schijnend, b aanlokkelijk licht ? Verandert de satan zich li ook niet vaak in een engel des lichts ? Maar h dat is enkel schijn. Het licht in zijn wezen, ri het werkelijke licht is er alleen in Jezus o Christus. e

Jezus Christus, het waarachtige licht, j En dat „waarachtig" hebben wij dan te nemen in tegenstelling van wat voorbeelden voorafschaduwing was. Wij vinden dat zoo schoon weergegeven in het Schriftwoord: „de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden." Zeker al het ceremonieele van den tijd der voorbereiding droeg licht in J zich, maar niet het volle licht. Dat straalde eerst in zijn volle wezenlijkheid uit in c

Christus. <

Jezus Christus, het waarachtige licht, c En dat „waarachtig" hebben wij te nemen j als tegenstelling van licht, dat niet oor- j spronkelijk is en niet in en uit zich zelf be- ^ staat. Dat vinden wij ook op aarde bij , Gods kinderen, van wie het heet: „gij z-ijt j licht in den Heere". Maar wat zij bezitten | als licht afgeleid, dat heeft Christus uit en " van zich zeiven. Daarom is Hij het waar- . achtige licht.

En dat in de wereld gekomen waarach- , tige licht verlicht een iegelijk mensch. Gij gevoelt, dat hier niet bedoeld wordt, dat ieder mensch op aarde door Christus tot ' zaligheid wordt verlicht. Want wij behoeven maar een blik te slaan op de groote schaar van ongeloovigen, en wij zien het I tegendeel. Maar „een iegelijk mensch is , ' hier bedoeld als deel van het geheel, en beteekent: de wereld van menschen. Ook weer , niet zóó, dat die geheele menschenwereld ( door Christus tot zaligheid verlicht wordt. ' | Maar zóó, dat het waarachtige licht tot l taak heeft in de geheele menschenwereld , zijn licht te openbaren, gelijk Christus het zendingsbevel gaf: „gaat dan heen in de - geheele wereld, en predikt het evangelie t aan alle kreaturen," en gelijk Simeon Christus noemde: „een licht tot verlichting y der heidenen en tot heerlijkheid van zijn

. volk Israël"

Beluister dan heden nog de opwekking:

Daar is uit 's werelds duistre wolken 1 Een licht der lichten opgegaan, " Komt tot zijn schijnsel, alle volken!

1 En gij, mijn ziele, bid het aan.

e

e Dat Gods genade u nog brenge in tijds r tot "het waarachtige licht, Jezus ChristusHet begin zal ontzettend smartelijk zijn. e Een gevoel, of gij volslagen blind zult wor,t den. Maar heerlijk het einde: het getrokken worden uit de duisternis tot Gods wonder baar licht.

n „Meer licht". Dat was het laatste woord, il waarmee eens iemand stervend zijn oogen ï- sloot. Maar zulk een vragen, eerst in het n sterven gedaan, komt vrij zeker te laat. i- „Meer licht", mocht dat heden uw bede i- zijn, en merk dan op de duisternis van uw

zondig hart.

!k „Meer licht", mocht dat dagelijks uw in bede zijn, opgezonden tot den troon der re | genade, tot den troon des Vaders, aan wiens

: se Verhand gezeten is het waarachtige

liohfc Jezus Christus. • - < -

En verlichte Hij u dan met het licht van zijn genade en waarheid, opdat alsnog eenmaal in het dal der schaduw des doods die bede aan uw ziel ontlokt wierd. „meei licht", gij dan in de zekere hope der zaligheid den blik des geloofs op Christus gericht uwe oogen hier sluiten moogt, maar om ze daarboven weer te openen in het eeuwige volmaakte licht.

A. A.; A. D.

(Ongecorrigeerd).

liohfc Jezus Christus. • - f - ■

IS LEERTUCHT ONBIJBELSCH? 1

III. |

We moeten nog even terugkomen op < Matth. 18 : 15—18. In vs. 18 wordt het- ; zelfde gezegd als in Matth. 16:19 over he „binden" en „ontbinden", waaruit wel dm- 1 delijk blijkt, dat ook in Mt. 18 sprake is van < de „sleutelmacht". In de evangelien wordt s ons dus meegedeeld, dat Jezus tot driemaal toe (ook nog na Zijne opstanding, vlg. Jon. 20 • 23) die „sleutelmacht" aan Zijne dis- < cipelen heeft verleend. Wel een zeer krach- j tig getuigenis, waarover men dus niet zoo gemakkelijk mag heenloopen als vele nieuwere godgeleerden (blijkbaar geïnfluenceerd door hunne „onbewuste praemissen", waarover we in ons eerste artikel schreven) doen. We hebben ook reeds aangetoond, dat deze sleutelmacht" niet magisch (resp. Roomsch), maar geestelijk moet worden ' oi^evat, d.i. in nauw verband met de pre- , diking des Woords (vgl. Joh. 20 : 21 waar- . bi ook wel Matth. 16:18 mag worden gevoegd, zoodat ook daar uit den samenhang zelf het nauwe verband met de prediking blijkt, waardoor een magische op-

n?cl~SKfnië:'Uh. .8 : U

_?8 ziet op het leven, niet op de leer, ook aic men aanneemt, dat de woorden tegen u» (die in verschillende handschriften niet voorkomen) niet door Jezus gebezigd zijn. Het blijft merkwaardig, dat de beste handgiften deze woorden niet hebben, doch Ü. we willen daarop niet teveel nadrTak legeen omdat we ons betoog met willen laten rusten op een mm of meer onzekere lezing

van een bepaalden tekst in de handschnf-

In Laat ons dan maar uitgaan van den tekst, zooals hij in de Statenvertaling is weergegeven: „Maar indien uw broeder teaen u gezondigd heeft, ga heen en bestraf hem tusschen u en hem alleen; mdien hij u hoort, zoo hebt gij uw broeder gewonnen. Maar indien hij u niet hoort, zoo neem nog een of twee met u, opdat in den mond van twee of drie getuigen alle woord besta. En indien hij denzelven geen gehoor geelt, zoo zegt het de gemeente; en indien hij ook de gemeente geen gehoor geeft, zoo zij hij 11 als de heiden en de tollenaar. Dit laatste wil dus blijkbaar zeggen, dat men dan (totdat hij zich bekeert) geen broederlijke gemeenschap met hem moet onderhouden, dat hij dus uit de gemeente moet buitengesloten worden. Blijkbaar wordt hier dus aan hen, die de gemeente in goede orde en tucht hebben te houden en haar dus ook vertegenwoordigen, een zeer groote ambtsmacht verleend.

| Doch moet men deze macht om dus de gemeente bij Christus als haar heiland den Zoon des levenden Gods, zooais Petrus H 1 beleden had, te houden en om dusc>o ' te houden in goede orde en tucl

men deze macht nu beperken tot het , leven? Geldt zij niet tevens de Zee .

komt Pmf T? zou ik willen vragen, toch ' aan deze geheel willekeurige ondejscheidi^

of eigenlijk scheiding, die wel voortdurend

j

r ^In^laUh. 18 wordt

g duidelijk uit wat Jezus volgen laat m vs.

I gevonden wordt in de nieuwere theologie, 1 maar die aan den bijbel, met name ook aan het N. Testament en zoo ook aan de reformatorische theologie, vreemd is?

Prof. B. argumenteert aldus (wij cursiveeren): „Moet men daarbij de leer, d.w.z. een bepaalde dogmatische formuleering omtrent de waarheid, ook betrekken? Ik denk niet, dat Jezus ook maar in de verte daaraan gedacht heeft. Want onmiddellijk volgt de vraag van Petrus: „Heer, hoe dikwijls zal mijn broeder tegen mij zondigen en ik hem vergeven?" Hier wordt hetzelfde woord „zondigen" gebruikt. Dat heeft met eenige verstandelijke formuleering niets te maken. Het gaat hier blijkbaar om zonde tegen God en zonde tegen den naaste, als tegenstelling van liefde tot God en liefde tot den naaste." En dan wil Prof. B., dat Mt. 18 : 15—18 zal zien op zondigen tegen de liefde tot God, nl. het overtreden van Gods geboden. In zulk een geval moet dus desnoods tot den uitersten maatregel, in vs. 17 genoemd, worden voortgeschreden. Doch in vs. 21 en 22 wordt dan gezegd bij wijze van tegenstelling, dat men den broeder, die tegen ons zondigt, zeventig maal zevenmaal moet vergeven.

Het komt mij voor, dat deze tegenstelling hier geheel willekeurig is geconstrueerd, omdat er in dit verband van de twee groote geboden, liefde tot God en liefde tot den naaste, geen sprake is, en omdat de beteekenis van „zondigen" (hamartanein) hier willekeurig tot het zedelijke leven wordt beperkt (met uitsluiting van afdwalingen in de leer, die in O. en N. T. voortdurend als „zonde" bepaaldelijk tegen God worden veroordeeld). We hebben het bekende woordenboek van Harting er eens op nageslagen en wat vonden we daar ? „Hamartanein, eig. zijn doel missen. In het N. T. wordt het woord gebezigd in verstandelijken zin, om een afdwaling van de waarheid te kennen te geven, 1 Cor. 15 : 34; in zedelijken zin, verkeerd handelen, iets doen dat niet geoorloofd is 1 Cor. 7 : 28, 35 enz. Dr. Harting's uitlegging is bovendien meer in overeenstemming met de doorgaande l voorstelling in deze van den bijbel dan die b van Prof. B. O.i. mag dus Matth. 18 : 15 i 8 allerminst beperkt worden tot de zoo-

- genaamde levenslucht. ^

i Nog een enkel woord over een laatste,

- zeer zonderlinge argument van Prof. B. i in zijn tweede artikel. Hij verwijst daar op y het eind ook nog naar Matth. 7 : 21 en ziet

dan in die woorden een tegenstelling, die

i daar door Jezus zelf gemaakt zou zijn tuss schen leer en leven. Prof. B. zegt er dit van r (wij cursiveeren): „Maar bij Jezus ligt de ,f nadruk niet op de leer. „Niet een iegelijk die a tot mij zegt: Heere, Heere, zal ingaan in i. het Koninkrijk der hemelen — m.a.w. niet cr de zuivere ,,leer" waarborgt het Christen^ zijn — maar die daar doet den wil mijns n Vaders die in de hemelen is." Op den wil b ligt de nadruk. Het zondigen is een nietk volbrengen van Gods wil. De tucht, waar-

ii ; van hier sprake is, is levenstucht .

te 1 Maar nu vragen we toch: Is Prof. B. niet m bezig hier een tegenstelling in den tekst in te ie leggen (nl. tusschen leer en leven), die geheel n vreemd is aan het verband, waarm do.e £ tekst voorkomt? Van een tegenstelhng as tusschen leer en leven is immers in de geheele ie Bergrede geen sprake. Het gaat voortdu as rend tegen de uiterlijke moraal, den vormeute Tenst, de eigengerechtigheid en OMoawktinhpid enz der Farizeen, waarbij dc wet le Gods ten siotte te kort komt. Daartegenm over stelt Jezus de diepe ^ie^e èeieem kenis van Gods wet waarbij dus Gods wet )k wordt gehandhaafd (Mt. 5 . 17 20) en et legt er dan op het eind nog eens nadruk op, et dat dit alles ook geldt voor Zijne eigene :)6 discipelen. Wie hem slechts in schijn, slechts 3h uiterlijk volgt zonder innerlijke overgave ,g, des harten, zelfs al heeft hij Hem den hooid gen eeretitel van „Heere" („Kurios", vgl. 1 Cor. 12 : 3b) gegeven, zelfs al heeft hij in Zijn Naam geprofeteerd en duivelen uit°0. geworpen, hij zal nochtans niet ingaan in