is toegevoegd aan je favorieten.

Nil desperandum Deo duce; orgaan van het Studenten-corps aan de Vrije Universiteit, jrg 2, 1903, no 29, 01-05-1903

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tweede jaargang.

No 29.

NU OESPIRANOUM 110 QUGI

Orgaan van het aan de Vrije

Studen ten- Corps

Universiteit.

REDACTIE:

J. Y. TIEMERSMA, J. C. AALDERS,

J. W. GOEDBLOED, J. VOERMAN. Adres: J. Y. Tiemersma, Da Costakade 21. Correspondentschap Unie H. DE COCK: J. F. REITSMA, A. A. L. RUTGERS. Adres: A. A. L. Rutgers, Keizersgracht 192

Amsterdam, 1 Mei 1903.

Dit blad verschijnt den tsteo en 15den van elke maand.

ADMINISTRATIE: J. OZINGA en A. SCHIPPERS. Adres : j. Ozinga, 2de Helmersstraat 70.

Abonnementsprijs: f 1.50 per jaar, franco per post f 1.75. Afzonderlijke nummers 15 cent. Abonnementsgelden te voldoen vóór 1 Maart van eiken jaargang.

INHOUD: Ons Blad II, door H. — Club en Coterie, door J. — Kan het langer? door J. — Zingen, door X. — Recensie, door K. — „ O ver den natuurlijken dood", door W. — Persrecensie, door J. — Berichten. — Advertentiën.

Ons Blad.

11.

Om over den inhoud van ons blad in >Nil's« kolommen mijne gedachten eens te uiten, was reeds ettelijke weken tot plan in mij gerijpt, toen als geschikte aanleiding zich aanbood de critiek des heeren v L. uit G. (omslag Eltheto 13 Maart 1.1).

Vernemende, dat een ander (blijkens Nil, no. 27, de heer C) naar aanleiding daarvan zou schrijven, wachtte ik af, zag mij echter genoodzaakt dezen schrijver te weerleggen, en de schrijfstof, mij niet ontnomen, slechts aangevuld door W.'s » Samenwerking II« en vergemakkelijkt door 't schrijven van J. in 't vorig nummer.

Aanleiding kwam mij algemeene critiek voor op »Nil« uit 't bovengenoemd bijblad van Eltheto. Oorzaak toch was, dat ik mij allengs wat meer bewust was geworden van den inhoud van ons blad, zooals die m. i. zijn moet en wel in onderscheiding aan wat het blad den laatsten tijd als inhoud gaf. En motief tot schrijven werd de gedachte om allen Corpsleden mee te deelen, wat ik met verschillende amici reeds herhaaldelijk besproken had

Alzoo zal ik dus niet tot den heer v. L. uit G. mij wenden, noch direct zijn critiek bespreken. Waarschijnlijk zal hij niettemin antwoord kunnen vinden op zijn vragen uit de stukken, die wat den inhoud betreft, zijn critiek rakend, reeds geschreven zijn of misschien nog geschreven zullen worden.

Ons Blad, een paar maand jonger dan ons Corps, is evenals dit Corps, om zoo te zeggen, van nieuws af aan begonnen. Evenwel niet iets nieuws was het. Want evenals de societas waarvan 't orgaan is, achterom kan zien naar een zeer leerzame geschiedenis in analoge corpora, zoo ligt er ook een journalistiek proces achter ons, waardoor van velen, vooral der ouderen in studie jaren-gevormd en veelszins vervormd was de meening aangaande hetgeen aan een studentenblad toekwam of ook wel niet toekwam, aangaande doel, inrichting en inhoud van zulk een blad.

Vat ik nu saam, wat ik omtrent de »bladquaestie«, die ruim een jaar meer speciaal mijn aandacht trok, heb gehoord besproken en onderzocht, dan begin ik met te zeggen, welken indruk datgene op mij maakte, wat ik van de verschillende opiniën vernam.

Negatief: bijna eenstemmig was de meening: Vul het blad niet met zware studies, met lange, geleerde betoogen en beschouwingen in artikelenreeksen.

Positief: hier gingen de meeningen uiteen, 't Negatieve was gemakkelijker weer te geven. Omtrent 't positieve waren de uitspraken dikwerf vaag, algemeen of moeilijk met een paar woorden te zeggen. Kort en concreet werd vaak vooropgesteld: Corpszaken, aangelegenheden uit onzen studentenkring. Zoo meenden er en meenen er nog wel.

Verder heerschte er nog een vage communis opinio, dat een blad bij een studentenkring behoort, zooals een Corps er bij behoorde, omdat het elders zoo was en vroeger ook bij ons zoo geweest was.

De facto viel eindelijk te constateeren, dat de redacties,

zoo van 't vorig als dit jaar, door welke motieven dan ook geleid, een inhoud en richting gaven aan het blad, die als practijk vrij wel klopte op deze laatste theoretische meening.

Toen ik de losse gedachten nu eens ging distilleeren en organiseeren, verwonderde het mij geenszins, dat de opiniën zoo gedeeld, zoo vaag ook dikwerf waren. Want het bleek me dat het niet zoo gemakkelijk is duidelijk zich bewust te worden van zijn eigen opinie, om die te vormen tot welgefundeerde meening. Ik kwam dan ook tot de logische conclusie (niet tot de persoonlijke overtuiging) dat het blad eigenlijk zoo ietwat een noodzakelijk kwaad was, althans wanneer het bleef, zooals het thans was. 't Had veel van een vakblad, zooals van kleermakers, schoenmakers, dienstboden, enz. Zulk een orgaan of vakblad hebben wij niet noodig, mag ons blad nooit worden, 't zou zichzelf dooden. En ik zou vragen : Wanneer we ons zoo eng moeten beperken, waarom dan zooveel kosten, voor zoo weinig vrucht f

Maar we behoeven ons zoo eng ook niet te beperken. En we mogen het blad niet opheffen omdat we er wel degelijk een ratio van bestaan voor kunnen vinden, die we niet behoeven te zoeken, maar die ons als voorgelegd, zoo niet opgelegd is. Maar dan moeten we ook allen belang, gewicht en noodzaak van het bestaan van ons blad beseffen, zóó beseffen, dat we dat vanzelf moeten uiten ook.

Ons blad heet orgaan van het Studentencorps aan de V.U. Dus heeft zich daardoor te openbaren, wat zich uiten moet van ons Corps. Want hebben we een orgaan van noode als Studentencorps, dan moet er ook iets omgaan in dat Corps, een bepaald iets leven in dat Corps, dat, om zich te uiten, een orgaan en wel bepaaldelijk zulk een orgaan als een blad noodig heeft.

Is er dat ? Ik vraag niet: is het er ten allen tijde even krachtig, even klaar f Ik vraag niet: beseffen alle corpsleden dat hoofd voor hoofd? Maar in 't algemeen is mijn vraag: Is heter? En ik antwoord : Ja.

Daarmee behoeft natuurlijk volstrekt niet ontkend te worden, dat veelal een redactie een groot aandeel heeft aan den inhoud van het blad. Maar pract'ik en theorie moeten onderscheiden. Een algemeen beginsel mag ^ gededuceerd uit de eenmaal-zoozijnde droeve werkelijkheid. Het idealisme moeten we nooit los laten, daar het ons met energie doet streven naar een doen beantwoorden van de practijk aan de theorie.

Er is alzoo, zeg ik, een inwendig leven in ons Studentencorps, dat zich uiten moet en niet anders uiten kan dan in een Studentenblad.

We laten hier buiten rekening natuurlijk al die practische en formeele mededeelingen en berichten, die Corps en Studentenwereld direct raken, niet als zonder belang, maar omdat we de zaak nu niet van practische zijde bezien, en dit geenszins hoofdmotief en genoegzame ieden kan zijn om een blad uit te geven, 't Gaat hier om wat de hoofdschotel vormt, over den eigenlijken inhoud.

Een Studentenblad. Dat is een blad voor en van en door studenten. Dat dus tot zijn gebied rekenen kan, al wat tot de studentenwereld in 't algemeen behoort. Ziedaar generaliter tevens de inhoud van ons blad.

Dat eigenaardige, veelomvattende, rijke leven van den student, in eigen kring omnium consensu een eigen wereld om zich hebbend en vormend, dat vraagt om uiting door een orgaan, dat niet anders wezen kan dan een blad. Daarom een eigen blad, een studentenblad. Daarom wij als christen-studenten tegenover hen die het niet zijn een christelijk orgaan, en speciaal voor ons als Gereformeerden, een Gereformeerd Studentenblad.