is toegevoegd aan uw favorieten.

Landbouwkundig tijdschrift; maandblad van het Nederlandsch Genootschap voor Landbouwwetenschap, jrg 50, 1938, no 614, 1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Referaten en Mededeelingen.

Plantenteelt. WEIDEBOUW. 105. STACHLER, H. Die Bedeutung der Weide- und Mdhweidcwirtschaft in Südbayern für die Milchversorgung des Deutschen Reiches. Jahrb. über neuere Erfahrungen auf dein Gebiete der Weidewirtschaft und des Putter baues. Ergansungsband, 214 bis. C 37). Het onderzoek omvat een driejarige vergelijking van vijf bedrijven, die op nieuwerwetsche wijze worden gedreven tegenover vijf, die op de gewone wijze worden beboerd. Aan het eigenlijke onderzoek gaat een korte bodemkundige en klimatologische beschrijving van het gebied vooraf, waaruit volgt, dat grondsoort en klimaat beide voor grasland uitermate geschikt zijn. De landbouwkundige omstandigheden vragen door het klein bedrijf een intensief systeem. De graslandoppervlakte der bedrijven nadert dikwijls de 100 %, waarvan het grootste deel (70 %) uitsluitend gemaaid wordt. Stalvoedering wordt dus zeer veel toegepast; het eigenlijke weiland kent men niet, behalve op steilere en hoogere gedeelten. Dit algemeene gedeelte omvat de eerste 45 blz. Daarna komt het eigenlijke onderzoek. Dit omvat zooals gezegd de vergelijking vaneen vijftal typische bedrijven, die het z.g. Mahweide-systeem toepassen, d.w.z. afwisselend maaien en weiden en dan weiden met snel omweiden. Onderzocht werden: botanische •samenstelling, kwaliteit gras, opbrengst voor wintervoer, melkopbrengst, de bemesting, de totale oogst, de financieele resultaten. De vergelijking der eerste twee bedrijven van circa 12 ha met bijna uitsluitend grasland en 9 resp. 7 koeien leidde tot het volgende resultaat: Door afwisselend maaien en weiden verbeterde het grasbestand; onkruiden namen af, goede grassen vermeerderen; de kwaliteit van het voer inden zomer was gunstiger en gelijkmatiger inde weide; het verteerbaar ruw eiwitgehalte was bijv. gemiddeld in het weidegras 17.8 %; het wintervoer was gelijk. Gemiddelde opbrengsten waren per ha resp. 1980 en 1150 kg zetmeelwaarde per ha. De melkopbrengst liep uiteen van 3942 kg tot 2373 kg. De bemesting was echter op het eerste bedrijf belangrijk meer, bijv. aan stikstof gemiddeld 27 kg tegenover 6 kg. De kosten bedroegen voor alle meststoffen samen per ha ruim zes maal zoo veel als op het normale bedrijf! Ook de arbeidsonkosten en afrasteringen maken een belangrijk bedrag uit. Tenslotte wordt een kostenberekening gemaakt, waaruit blijkt, dat per kg zetmeelwaarde de productiekosten zijn: 7.8 pf resp. 6.7 pf. Hoewel tenslotte de opbrengsten wel sterk zijn gestegen, zijn dus toch de uitkomsten voor de boer wel iets beter, maar lang niet in verhouding tot de grootere arbeids- en kapitaalsinvesteering. Het tweede stel bedrijven is nog kleiner, n.l. bijna 8 ha tegenover ruim 10 ha met circa 70 % grasland en verder in hoofdzaak voeder bouw. In groote trekken komt men hier tot dezelfde resultaten. Het voorbeeld is in zooverre leerzaam, dat het voor kleine bedrijven met veel arbeidskrachten in het bedrijf een mogelijkheid toont om deze krachten beter productief te maken. Algemeen is bekend, dat stalvoedering een zeer spaarzame manier is om de grasproductie te vervoederen, maar het blijkt, dat doelmatige beweiding toch nog grootere mogelijkheden kan bieden. Men houde echter wel in het oog, dat deze zeer interessante studie een vergelijking bevat, waarbij naar verschillende kanten veranderingen zijn aangebracht en tenslotte slechts het uiteindelijke resultaat naar voren komt. Uit de verdere vergelijkingen, die betrekking hebben op grootere bedrijven van gemengd karakter, krijgt men de indruk,' dat verdere intensiveering wenschelijk is, maar toch in verhouding tot de opbrengststijging de resultaten voor den ondernemer niet altijd meevallen. De rentabiliteitsgrens ligt belangrijk beneden de productiegrens. Het spreekt vanzelf, dat de uitkomsten niet voor onze omstandigheden geldig zijn, maar het verdient toch m.i. wel aanbeveling eens na te gaan of langs deze weg ook in onze groenbedrijven het inzicht omtrent productie en rentabiliteit niet is te verdiepen. Er is zonder twijfel wel kritiek op de werkwijze, die Stachler volgt, te geven, maar tenslotte moet men zich hoeden voor de mogelijkheid, dat het goede de vijand van het beste wordt. Ik wil daarom de aandacht op deze studie vestigen. H. J. F.

645