is toegevoegd aan uw favorieten.

Maandblad voor den Nederlandschen landbouwer, 1886, no 5, 1886

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gemeenschappelijk botermaken.

ten goede komen. Zuivelfabrieken zullen dus beter eene toekomst hebben in streken waar de aanfok meer beperkt is. Tegenover de hier geuite meening staat echter die uiteen andere streek van Groningen (zie blz. 72, 73) waar eveneens de zuivelbereiding slechts „bijzaak,” maar zoo het schijnt het aanfokken vaJ\ve® bepaald hoofdzaak is. Hier wordt het gemeenschapppk botermaken zeer wenschehjk genoemd, wanneer slechts van halt April tot half December 2000 tot 3000 liter melk dagelijks bijeen kon worden gebracht. Den overigen tijd (half Dec.—half April) zou de fabriek dan stil moeten staan, tenzij er inde inrichting der boerderijen aanmerkelijke veranderingen werden gemaakt waardoor het mogelijk zoude worden ook ’s winters een voldoende hoeveelheid melk bijeen te krijgen. Zeker is het, dat men evenmin als bij andere zaken zoo ook hier zou mogen beweren: gemeenschappelijk botermaken in fabrieken is steeds en onvoorwaardelijk aan te bevelen. Ook hierbij spelen de „omstandigheden” een voorname rol; zij zullen dikwijls het tot stand komen en met voordeel houden van' zulke fabrieken zeer bezwaarlijk zooal niet geheel ondoenlijk maken. Maar daartegenover staat, dat, met ingenomenheid, zaakkennis en volharding begonnen en doorgezet, zulke fabrieken wellicht het eenig afdoende middel opleveren, om den boterhandel in het algemeen, en bepaalde streken waar zij tot stand mochten komen in het bijzonder, weder in bloei te doen toenemen en aan de concurrentie van Denemarken en andere landen het hoofd te bieden. Met de best mogelijk ingerichte wetten tegen werkelijk geknoei met kunstboter, zal men, hoe nuttig die wetten op zichzelve ook zijn mogen ,de kwaliteit der tweede soort boter waarvan toch wel het grootste gedeelte der in ons vaderland gemaakte zuivel (geen kunstboter) bestaat, verbeteren. De bezwaren, die tegen het gemeenschappelijk botermaken bestaan zijn overigens werkelijk talrijk en veel. Yoor een paar jaren zijn ze met talent door den heer H. M. Hartog (inde Economist ? Red.) uiteengezet en de verslaggevers inde thans besproken Groninger Rapporten zagen ze over het algemeen misschien wel wat te licht in. Laat er ons hier eenige van opnoemen. . °P blz- 59 wordt gesproken over de kleine hoeveelheid melk, die in streken waar meest alle landbouwers minder dan 10 stuks vee houden uit ieder huishouden kan gemist worden. In zulke streken, waar toch ook betrekkelijk nog veel boter wordt gemaakt om wekelijks of na langer tijdruimte in kleine stukken op de markt verkocht, door opkoopers bijeen gedaan en vervolgens vermengd in vaten inden handel gebracht te worden, zou natuurlijk eene fabriek een groot gebied noodig hebben en het vervoer dier melk licht te veel kosten veroorzaken. We willen geenszins beweren dat dit bezwaar evenals andere met enkele woorden of met raadgevingen is te overwinnen; de hoofdzaak is hierbij een ernstige wil, gepaard met kennis en overleg. Daardoor zijn reeds grooter moeilijkheden overwonnen. Misschien zou het hier bedoelde bezwaar eenigszins tegemoet te komen zijn, wanneer eenige, laat ons stellen een 8 of lOtal het dichtst bij elkander wonende landbouwers, gezamen-5*

67