is toegevoegd aan uw favorieten.

Landbouw en maatschappij; officiëel orgaan van den Nationalen Bond Landbouw en Maatschappij, jrg 3, 1934-1935, no 29, 21-02-1935

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

21 Febr. 1935. 3e jaargang. LANDBOUW EN MAATSCHAPPIJ. No 29. Tweede Blad. DE DRENTSCHE BOER VECHT VOOR ZIJN RECHT.

Indrukwekkend voorbeeld voor andere provincies.

Zaterdag werd te Assen de grootsche demonstratie van den eensgezinden Drentschen boerenstand gehouden. Drentsdhe Boerenbond, Drentsch Landbouwgenootsehap en Drentsche Zuivelbond werkten eendrachtig samen andere provincies ten voorbeeld! om de nooden van de landbouwers onder de aandacht van Regeering, volksvertegenwoordiging en publiek te brengen. De vergadering werd o.m. bijgewoond door de Eerste Kamerleden Mr. Smeenge (v.b.), Ir. Otten (v.d.), de Tweede Kamerleden Vander Sluis (sd.) en Schalier (communist), den heer J. Huges, lid van Ged. Stalen, den heer Britzel, voorz. F.N.Z., Dr. Molhuysen, secr. Kon. Ned. Landbouwcomité, vertegenwoordigers van landbouworganisaties uit het geheele Noorden, enkele burgemeesters als Mr. J. Linthorst Homan, Vledder en A. Gautier van Coevorden, enz. De openingsrede. De Leiding van de vergadering berustte bij den heer H. Meijeringh, voorzitter D.L.G., zulks in verband met de ongesteldheid van den heer Oldenbanniing, voorzitter D.8.8. Onder daverende toejuichingen feliciteerde die heer Meijeringh namens alle aanwezigen den beer Smid met zijn zeventigsten verjaardag. Vervolgens werden de verschillende genoodigden welkom geheeten. Manifestatie van eenheid. Dat de hoofdbesturen der drie organisaties besloten hebben eendrachtig samen te werken tot het beleggen van deze groote vergadering, meende spr. te moeten beschouwen als een gebeurtenis van groote beteekenis voor onze landbouworganisaties en voor onze boeren zelve. De wijze waarop de besprekingen voor het organiseeren dezer vergadering zijn gevoerd, hebben spr. den indlruk gegeven, dat dit samengaan van vandaag ook voor de toekomst zijn vruchten zal af werpen. (Applaus). De landbouw het kind van de rekening? Het begrip aanpassing aan een lager prijsniveau is een modebegrip geworden en nu blijkt, dat dteze verlaging en aanpiasslng aan *en lager prijsniveau overal groote modMjk-Aeden en tegenstand ondervindt, nu lijkt het gevaar groot dat die landbouw bij deze aanpassing zal moeten voorgaan, ondanks het feit, dat die inkomsten der landbouwbedrijven met alle genomen maatregelen nog bij lange ha niet het peil van voor den oorlog hebben bereikt en de landbouw daarbij voor velerlei producten een productiebeperking heeft moeien aanvaarden met alle moeilijikhedlen daarin voor de bedrijven verbonden. Wij willen hier als onze meening te kennen ®even, aldus spr., dat de landbouw niet verher mag worden vooruitgeschoven op den weg der verlaging, dat van den landbouw niet mag Worden gevraagd nog weer de eerste stooten te vangen en daarbij als feit constateeren dat onze boerenstand niet alleen niet in staat ‘s °P dit moment verdere verlagingen te verdragen, maar zelfs zonder verdere prijsverhoo&*ngen niet in staat zal zijn zich op de bedrijven staande te houden. De toekomst voor den landbouw willen we m andere lijn zien uitgestippeld. De verhoudingen. zijn nog dusdanig, dat het prijspeil in den landbouw nog behoorlijk dient te worden hpgevoerd voordat het punt bereikt is, dat van *en redelijke belooning in verhouding tot andere bevolkingsgroepen kan worden gesproken. Met name is dit het geval voor de veeteeltprodueten. Naast verheuging van prijzen J*P dit moment is het noodzakelijk dat voor de J°ckomst de richting wordt uitgesproken, wel-156 men bij de landbouwpolitiek zal willen volden. Wij willen begrijpen, dat het bezaarlijlk ls voor de verdere toekomst de prijzen der Producten op precieze wijze in geld uitgedlruikt ''ast te leggen dit zou inde tegenwoordige Moeilijke en wisselvallige omstandigheden een Otiredelijke eisch zijn —, maar wèl kan en bient worden aangegeven welk doel men voor ?°fren heeft. Bij de jaarwisseling is op zoo miste wijze van vele zijden naar voren gek o* men dat voor herstel van het economisch leven vertrouwen noodzakelijik is. Spr. onderehreef dit. Maar hoe zal men in landbouw-Pingen vertrouwen kunnen hebben, wanneer Ver de toekomst niets, maar dan ook niets met eenige zekerheid bekend is? Spr. dacht hierbij wel inde eerste plaats aan de prij-611 van den grond en aan de rol van den kredietgever ten opzichte van den landbouw. P het gebied van het landbouwcredliet met ,ame het hypothecair crediet, is tot dusverre •ets geschied dan het aankondigen van de Pdoeling om maatregelen te nemen. Hoe deze maatregelen er zullen uitzien we-vetl wij niet, maar wij kunnen toch van te°ren wel zeggen dat we voor het landbouwrediet meer verwachten vaneen enkele duriolijke verklaring omtrent de te volgen landlouwpolitieik, dan vaneen wettelijke regeling elke het tekort tussdhen eigenaar van den « ond en hypotheekgever zal verdeeien. Behoorlijke belooning vereischf. de moeilijkheden van het landbouwcredip te verzachten is inde eerste plaats nooit*” dat de bedlriiiven VO(>r nu en voor de toe-U, g 1 behoorlijke inkomsten kunnen genieten, Peil W‘ dat d,e prodluetenprijizen op een redelijk h’en Wor^cn gebracht. Het wilde spr. voorhoef ’nd' te veel aandacht wordt besteed aan 0V *Pdeelteg van de opbrengst der producten daa de verschillende belanghebbenden en dat oor, te veel uit het oog wordt verloren

de primaire eisch, dat de bedrijven een redelijke – opbrengst moeten kunnen maken, alvorens het mogelijk is een eendgszins redelijke verdeeling van deze opbrengst tusschen de diverse belanghebbenden als b.v. pachters, eigenaars en hypotheek gevers te kunnen verkrijgen. Wanneer wij als maatstaf voor de goede belooning van kapitaal en arbeid in het boerenbedrijf nemen het peil van de landbouwproducten, dan willen wij daarmede tevens te kennen geven, dat voor de toekomst de crisismaatregelen voor den landbouw niet meer mogen worden bezien in het kader van steunverleening en daarmee ook willen ontkomen aan de vraag in hoeverre steunverleening op het overige gedeelte van de bevolking mag drukken. Dit is een geheel verkeerde voorstelling van zaken, welke er toe leidt dat bij bet beantwoorden van die vraag steeds weer naar voren komt, de vraag in hoeverre het andere gedeelte van de Nederiandsche bevolking tot die steunverleening kan bijdragen. Wij moeten ons enkel richten naar het peil der groothandelprijzen en geven daarmee tevens te kennen dat de boerenstand zijn eigen levensvoorwaarden moet hebben en ook zijn eigen moeilijkheden zal willen oplossen, maar daartegenover ook vraagt, dat niet op hem zullen worden algewenteld de moeilijkheden, welke men inde groote steden ondervindt van duur distributiesysteem, hooge overheidslasten e.d. Zeker, er zijn andere groepen van de bevolking die ook zeer moeilijke tijden doormaken, er zijn vele andere bevolkingsgroepen, welke strijden voor hun bestaansvoorwaarden. Zoo werd dezer dagen gepleit voor de bestaansvoorwaarden van de mijnwerkers, waarbij er op gewezen werd dat de mijnindustrie aan, naar spr. meende, eertijds 39.000 arbeiders werk gaf, tegenover thans 30.000. Gebrek aan inzicht. Verder werd gezegd;, dat men in Den Haag niets anders scheen te zien dan de nooden van den landbouwer en dat men de noodlijdende industrie maar aan haar lot overliet. Hoeveel personen in het landbouwbedrijf hun bestaan vinden werd niet genoemd, terwijl evenmin werd gerept over de belooning van den arbeid van het landbouwbedrijf. Wanneer men nu weet, dat de landbouw omstreeks 400.000 bedrijven omvat en omstreeks 25 pet. van heit Nederiandsche volk direct en pijn. 50 pet. indirect van den landbouw bestaat, dat deze groote en belangrijke groiep van onze bevolking voor omstreeks de helft in dergelijk© levensomstandigheden verkeert, dat de inkomsten geringer zijn dan het loon vaneen plaitelandsarbeider in werkverschaffing, dan meende spr. toch te mogen constateeren dat de schrijver van de noodkreet over den toestand van het mijnbedrijf, wat al te lichtvaardig zijn stal heeft gebroken over den landbouwsteun en dat gebrek aan inzicht in den toestand, d!e omvang en de waarde van hef boerenbedrijf voor onze volksgemeenschap, hem deze woorden heeft doen neerschrijven. Naar spr.’s meening geeft dit alles toch wel een voldoend duidelijk beeld van den toestand van het bedrijif, van de noodzakelijkheid dat m®t name de prijzen van de veeteeltproducten hooger dienen te warden opgevoerf, dat alle middelen moeten wordten aangewend om den arbeid op bet boerenbedrijf weer tot rentabiliteit te brengen. De organisaties niet gehoord. Spr. wijdde vervolgens eenige woorden aan het niet voeling houden van de regeering met de landbouworganisaties bij het afkondigen van maatregelen of het invoeren van verlagingen. Is het niet logisch, dat men hierover verontwaardigd is? Hef antwoord van den minister wekt den indruk dat het protest der drie centrale landbouworganisaties tegen de aangekondigde richtprijsverlaging van tarwe en peulvruchten, ongemotiveerd is. Spr. meende daarom goed' te doen een uiteenzetting te geven van den invloed, die momenteel door decentrale landbouworganisaties op den gang van zaken bij de uitvoering van de crisismaatregelen kan worden uitgeoefend en daarbij tevens uit de wereld te helpen de fabel, dat de Landbouworganisaties aecoord gaan met alle mogelijke maatregelen die genomen worden, omdat baar vertegenwoordigers zitting hebben inde crisis-organisaties, die tot taak hebben de uitvoering van de verschillende maatregelen. Dat de organisaties gebruik hebben gemaakt van baar bevoegdheid om den minister voordrachten te doen voor benoeming van bestuursleden van de crisis-organisaties, is volkomen verklaarbaar, omdat de wijze van uitvoering van de crisismaatregelen, voor onzen boerenstand van groofe beteekenis is en omdat het naar de meening van de landbouw-crisisorganisalies niet wel mogelijk zou zijnde vaak zeer ingewikkelde uitvoeringsmaatregelen te nemen zonder de medewerking van menschen, die met den toestand der bedrijven geheel op de hoogte zijn. Vooral nu inden laatstee tijd meer en meer rekening moet worden gehouden met dien aard van leder bedrijf op zich zelf, is naar spr.’s meening een andere uitvoering niet denkbaar. Vanzelfsprekend wordt over de verschillende maatregelen van de besturen dar crisisorganisaties advies gevraagd aan deze colleges. Nu kan men In het midden laten hoe deze adviezen luiden. Spr. veronderstelde dat een dergelijk advies wel eens tegenovergesteld is aan de beslissing, die tenslotte door den minister wordt genomen. Wanneer nu de bestuursleden der crisisorganisaities gelegenheid hadden ruggespraak te houden met de organisaties, op wier voordracht zij zijn benoemd,

dan zou men althans nog van eenige medezeggenschap van de landbouworganisaties kunnen spreken, maar dit is niet het geval; alle besprekingen inde crisisorganlsaties zijn streng vertrouwelijk. Terecht hebben dus de landbouworganisaties gezegd, dat zij niet inde beslissing zijn gekend, zoodat haar protest absoluut gemotiveerd is. Spr. vergeleek hiermee hoe in soortgelijke gevallen met andere organisaties wordt gehandeld. Bij salarisverlaging van ambtenaren bijv. wordt steeds met de ambtenarenorganisaties overleg gepleegd. Waarom dat dan niet gedaan met de boerenorganisaties, welke zooveel grootere groepen der bevolking vertegenwoordigen? Dit stelt wel duidelijk in het licht dat aan die organisaties niet die plaats wordt toegekend, welke haar toekomt. (Luidle teekenen van instemming), Spr. wilde erkennen, dat het den minister niet altijd mogelijk zal zijnde gegeven adviezen op te volgen, ook zelfs dat het niet altijd mogelijk is de landbouworganisaties te hooren, een grens moet er toch zijn en deze is naar spr.’s meening overschreden. Verdere medewerking wordt moeilijk. Met den meesten na druk wees spr. er op, dat wanneer het in deze richting doorgaat, het voor de landbouworganisaties toch wel uiterst moeilijk wordt, haar medewerking aan de uitvoering der crisismaatregelen te b1 ij ven geven. Spr. zag den tijd komen, dat de organisaties haar medewerking moesten opzeggen, wanneer de koers niet wordt g e w ijz i g d. (Daverende toejuichingen). Spr. zeide dit medfe met het oog op de woorden van den minister van Economische Zaken, dat verhooging van den landbouwsteun onmogelijk is. Zonder verhooging evenwel zal het niet mogelijk zijnde bedrijven gaande te houden. Allereerst is deze verhooging nootzakelijk bij den zuivel, gezien de bedrijfresuitaten. Deze prijs verhooging mag evenwel niet gaan ten koste van de akkerbouwproductie, omdat het prijspeil hiervan absoluut gehandhaafd moet blijven. Men verliest te veel uit het oog, dat de redelijke uitkomsten der akkerbouwbedrijven niet zijn toe te schrijven aan het te hooge prijspeil, maar aan de goede oogsten der laatste twee jaren. Spr. wenschte dat het bezoek van den minister aan Drenthe (Donderdag j.1.) hem tot het inzicht heeft gebracht, dat de toestand! der bedrijven nog zoodanig is, dat het prijspeil verhoogd moet worden, wat dhs mede inhoudt een verhooging van den landbouwsteun in totaal. Verder dat het ingrijpen op de bedrijven, als verdere beperking kalvaraanfok, verlaging hoeveelheid te steunen melk, niet door te voeren zijn, zonder dat daartegenover staat dat meer tegen loonende prijzen kan worden geproduceerd. Wanneer dit kan worden toegezegd, dan Ml het ingrijpen op de bedrijven beter kunnen worden verdedigd, dan zal den boer een stuk van het vertrouwen teruggegeven worden, welk vertrouwen noodzakelijk is om hem de onafwendbare lasten van de crisis te doen dragen, dit tot heil niet alleen van den boerenstand, maar voor onze geheele volksgemeenschap. Ook de taak der landbouworganisaties, om dit vertrouwen den boer verder bij te brengen, zal dan worden verlicht en de verdere medewerking kan worden gegeven. Na andermaal er zijn voldoening over te hebben -uitgesproken dat deze gecombineerde vergadering heeft kunnen plaats hebban, eindigde spr. met d‘e hoop dat dit het begin mocht zijn van de samenwerking van alle landbouworganisar tl es in Nederland, tot de vorming van één groot agrarisch front, dat eensgezind zijn nooden en verlangens aan de regeering kenbaar maakt. (Luid applaus). Wanneer dit het gevolg deg.er vergadering mocht zijn, dan kunnen we dit zoo besloot de heer Meijeringh beschouwen als een zeer gewichtig resultaat dezer vergadering. (Applaus). De zuivelboer inde knel. Rede voorzitter Drentsche Zuivelbond. Het woord was vervolgens aan den heer L. Dekker te Pesse, voorzitter van den Drentschen Zuivelbond. Spr. herinnerde er aan dat 2i/a jaar geleden den veehouders een richtprijs van 51/3 a 6 cent per kilo voor de melk werd voorgehouden, een prijs ongeveer overeenkomende met de productiekosten. Huur, pacht, rente, enz. werd naar dezen toegezegden prijs bepaald. Thans in Februari de periode van de laagste productie —, te de melkprijis, welke de boeren ontvangen, nauwelijks 4 cent. Hierin Is begrepen een toeslag van 2Vs cemt, zoodat de eigenlijke melkprijs l‘/« cent per kg. bedraagt. Duidelijk blijkt hieruit die failliete toestand waarin zich onze veehouderij bevindt. Dat de orisiszuivelwet geen 6Vs è 6 ct. gebracht heeft verwondert ons niet, omdat in deze wet geen waarborg zit voor het bereiken vaneen zekeren melk- of richtprijs, omdat deze melkprijs, zoolang we exporleeren, voor een groot deel afhankelijk is van de internationale prijzen der zuivelproducten. En juist

deze wereldmarktprijzen zijn na het in weir king treden der orisiszuivelwet zoo sterk ge daald. Daarom is het ook zoo gevaarlijk ge weest dat men in het begin steeds doorging (ook van boven af) met het noemen van dezer richtprijs, ook toen heit wel duidelijk was da met deze wet geen 6 cent zou worden bereikt Meermalen heeft de zuivel organisatie op he verkeerde hiervan gewezen. Spr. besprak daarna de verselhillendle maat regelen waardoor men getracht heeft het resultaat der orisiszuivelwet te verhoogen. Einc 1933 begon de afslachting van vee. Er zou te veel vee zijn voor het bereiken van den richt prijs. Bovendien zou het uit de markt nemer van vee de vieeschpositie ten goede komen Inderdaad liepen de veeprijzen flink op; voor den veeboer was dit van groote waarde Van de beperking der melkproductie is echte] niets terecht gekomen. In Drenthe is nog nimmer zooveel melk geproduceerd als in 1934 Met enkele cijfers demonstreerde spr. die onjuistheid van de teliingsbasis van 1930. Dezt basis mag ook niet voor de toekomst dienen Ook dit seizoen heeft men weer een groo-i aantal vee, nu jongvee, afgeslacht. Deze afslachting is nu verplicht. Wie niet aan zijr verplichting tot leveren voldoet, worden kal verschetsen ingebonden. Ook nu bereikt mer met deze afslachting niet dat er inden eerster tijd een vermindering van de melkproductie komt. Juist de oudere productiekoeien blijven zoodat we dit voorjaar ook weer een stroom van melk kunnen tegemoet zien. Spr. betoogde dat met een inkrimping var de melkproductie niet veel zal worden bereikt Er moeten andere wegen worden bewandleld Een protest Een andere maatregel is het menggebod. Uil een schrijven van den minister van 30 Jan. j.l valt te lezen, dat het spreken tegenover de boeren over de margarine als het ware beschouwd wordt als heit preeken van revolutie onder de veehouders. Wanneer het zoover komt da 1 wij zuivelmenschen niet meer mogen spreken over, en str ij de n tegen onzen gr o ots ten vijand, de margarine, zonder da t men ons beschuldigt van opruiing, dan wildle spr hiertegen ten sterkste protesteeren (Daverend applaus). Zoolang de margarine bestaat zal deze de vijand blijven van de boter en moeten we dezen vijand me t al de ge oorloof de middelen bestrijden. Andere maatregelen zijin o.a. het opslaan van boter in koelhuizen des zomers, beperking kaasproductie, terwijl kortgeleden de boeren werden opgeschrikt dooreen nieuwen maatregel, welke Mei of Juni zal ingaan, n.l. intrekking van den steun op een gedeelte van de melk.. Aan de hand van cijfers van 1933 en 1934, te verstrekken door de zuivelfabrieken, wordt bepaald hoeveel melk en vet iedere boerderij afzonderlijk voor het volgende jaai bijv. van Mei tot Mei, mag leveren. Is deze hoeveelheid per I Maart geleverd, dan krijg) de betrokken veehouder verder geen steun. Dat wil dus zeggen, dat hij bij de tegenwoordige prijzen 11/» cent per k.g. ontvangt....- Hoe wil men dezen maatregel toepassen op de consumpliemelkers? Deze omvatten nog 20 pet. van de melkproductie. En hoe voor de duizenden zelfkazende en zelfikarnende boeren uit Utrecht en de Hollanden? Hoe wil men deze controleeren? Vaneen vetgehalte weten deze groepen over het algemeen niets af. Hoe moeten deze worden beperkt en op welke basis? Naar spr.’s meening valt hiermee de geheele basis van het ontwerp Uiteen. En dan de verdere gevolgen als bet volgende voorjaar de veehouders melk ter waarde van IV» cent thuis hebben. Wat gebeurt hiermee? Men kan ze toch niet inde sloot laten loopen? Het zal de knoeierij op groote schaal inde hand werken. Daarom zal er weer een geweldig oontröle-apparaat met honderden ambtenaren noodig zijn. Is het dan geen wonder dat wij, veehouders met dit alles voor oogen ons ernstig afvragen: Kunnen wij hiervoor de medewerking, die gevraagd wordt, wel verleenen? Moeten wij, tegen der gelijke maatregelen onze stem niet laten verheffen en een ernstig protest laten hoeren? Gerust mag worden gezegd, dat de crisiszuivelwet in 1932 den boeren niet heeft gebracht, wat zij er redelijkerwijs van hadden mogen verwachten en hetgeen is toegezegd: een loonende melkprijs. Maar gesteld nu eens dat we mei deze wet wèl een hongeren melkprijs hadden gekregen. Zouden we dan met de lage fourageprijzen geen groote uitbreiding van de melkproductie hebben gekregen? Ongetwijfeld. En ook dan was de zaak naar spr.’s meening vastgeloopen. We hadden dan een groote uitbreiding van de veehouderij gekregen en dus een nog grooter overproductie van zuivelproducten. Na ar z ij-n meening Is het huidige systeem dan ook aan alle kanten vastgeloopen en mislukt. Hiernaast bestaat echter het systeem vap d© Boerenbonden met de hoogere invoerrechten, waarbij dus de fourageprijzen worden verhoogd. Spr.’s vraag is nu deze. Nu het huidige

I systeem is mislukt, is het nu niet ten zeerste gewensdht dat van dit systeem van de Boerenbonden ernstige studie wordt gemaakt, ook door de Regeerin gspersonen, voordat men verder met de experimenten van thans doorgaat, experimenten die naar spr.’s meening niet het gewenschte resultaat zullen brengen? (Luide toejuichingen). Spr. meende dat de boeren ernstige bestudeedng mochten eisdhen. Men kan dan bet roer omgooien vóór het heelemaal te laat is. Doch men wachte niet te lang!! iDe nationale markt. Zoowel bij het tegenwoordige als bij het Boerenbondsysieem, moet geëischt worden, dat de nationale markt beschikbaar is en blijft voor onze nationale producten. Doch ook hier heeft men niet steeds dien gewenschten steun van boven. Men denke slechts aan de actie voor het verwerken van melk in brood. Wanneer in ons land alle brood werd gebakken met melk, dan zou hier plaats zijn voor meer dan 200 mail. liter melk of de productie van 60 a 70 duizend melkkoeien. Reeds twee jaar geleden drong de F.N.Z. er bij de Regeering op aan, om het bakken van waterbrood te verbieden, evenals inde oorlogsjaren het bakken van melkbrood door één handomdraai werd verboden. Doch hiervan wilde de minister niets weten. Vooral niet omdat daardoor minder tarwe gebruikt zou worden en deze maatregel dus voor de tarwewet schadelijk zou zijn. Er is echter wel aangetoond dat er hoegenaamd geen kilo inlanidsehe tarwe minder moedig zou zijn. Verder was de minister tegen verplichtend stellen, omdat het brood duurder zou worden. Dit laatste bezwaar wordt ook weer door den minister aangehaald in zijn straks genoemd antwoord aan de drie zuivelorganisaties. Naar spr.’s meening is Zijne Excellentie hier wel zeer slecht voorgelicht door zijn adviseurs. Deze moesten toch weten, dat de prijsverhooging niet groot, doch slechts zeer gering zou zijn. Menige bakker heeft ons op de vergaderingen van de melkbrood-propaganda in Drenthe medegedeeld, dat het verschil slechts 1 oent per 800 gram behoefde te zijn, als alle brood met melk werd gebakken en de melk voor si/2 a 6 cent voor de bakkers beschikbaar was. En bij dit verschil is het melkbrood met zijn meerdere voedingswaarde niet duurder, doch goedkooper dan waterbrood. Nu is er door landbouw en zuivelorganisaties een actie ontketend om het gebruik van melkbrood langs vrijwilligen weg te bevorderen, doch het resultaat zal veel kleiner zijn dan bij het verplichtend stellen in dezen. Ook als oonsumptiemelk kan er veel meer melk worden geplaatst in het binnenland. Doch dam behoort men den prijs der melk niet onbehoorlijk hopg te stellen. In geen geval zal het gebruik van melk worden bevorderd ais de Crisiszuivelcentrale, zooais in onze provincie, den prijs der consumptiemelk op 9 en 10 cent vaststelt bij een industrieprijs vam 4 oent. Inde omliggende provincies is dé prijs van de oonsumptiemelk 1 cent lager. Wanneer we hierbij nog bedenken dat de burgers inde groote steden 12 cent en meer voor de melk betalen, dan vragen we ons al: moet hier het mes niet diep in? Hier zien we toch dat de distributie en andere kosten tweemaal zooveel bedragen als de industrieprijs. Een groot verschil bestaat er tussohen den wijs dien de industriemelker en dien, welke de [lonsumptiemeLker voor zijn melk krijgt. In het westen van het land, in het gebied ius vam onze groote steden, waar bijna iedere ,-eehouder ook consumptiemelk er is, kreeg hij /oor de melk langen tijd meer dan 6 cent, hans 51/2 cent. Dit was mogelijk gemaakt door ;en speciale consumptiemelkregeling. Het is vaar spr.’s meening zeer te betreuren dat dit verschil tusschem de groepen veehouders betont en bet is gewenscht dat dit verschil ten spoedigste wordt weggenomen. Het wekt bij ie veehouders, die hun melk tot producten laan verwerken, groote ontevredenheid dat het nagelijk wordt gemaakt dat een zekere groep veehouders een toonenden prijs voor de melk rijgt, terwijl zij zelf hier ver beneden blijven, leze consumptiemelkregeling dient dam ook en spoedigste te worden herzien. Het kaasverbruik is in ons Land zeer laag m dit dient dooreen afdoende reclame-actie e worden vergroot. Boter en margarine. Ook bet boterverbruik is de laatste jaren wuggeloopen. Een belangrijke uitbreiding /ordt tegengegaan door de margarine. Dit unstmatige product moet als de grootste vijnd van de boter worden beschouwd. De largarine wordt geen enkele beperking opelegd, hetgeen onder de boeren groote oniteredenheid verwekt. Eveneens wordt de boterfzet ten zeerste bemoeilijkt door het mengebod. Uit het rapport der commissie uit cen■ale landbouworganisaties en FJN.Z. condueerde spr. dlat de opheffing van het mengebod den melkprijs niet doet temgioopen, och ook niet doet stijgen. Verder dat bepering van de margarine niet noemenswaard den lelkprijs zal verhoogen. Moet men thans éclair zeggen: laat de margarine verder maar roduoeeren? Het antwoord hierop is: neen. ten moet verder zien. De boter moet de eerte plaats innemen op onze binnenlarfdsche larkt en dat kan niet zonder beperking van b margarine. We moeten het teveel aan melk niet enkel egwerken door den veeboer al de beperkinsn op te leggen, doch door plaatsing van dé iclk en baar producten in ons eigen land. Al zal dam door beperking van de margarine