is toegevoegd aan uw favorieten.

Utrechtsche studenten almanak voor ..., 1856, 1856

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WAT IK BEMIN.

Ik mln de zee, als er de storm op woont,

Ik min ze, als geen golfje zich vertoont,

De maan zich spiegelt in het heldre blaauw :

Ik min de bergen in den morgendaauw,

De groote stroomen en de diepe dalen.

Het woud vol boomen en vol nachtegalen,

Den stillen nacht met ’t schittrend starrenheir.

Het helder blinkende avondrood nog meer,

De rijp, nog witter dan de kleur van ’t lijk

Maar haten neen, aan haat ben ik niet rijk.

’k Haat slechts den bittren, verfoeibren lust,

’k Haat de zonde, die ’t geweten sust,

Ik haat des bijgeloofs magt en gewoel.

Ik min het kind en ’t kinderlijk gevoel.

Ik min den geest in zijnen trotschen gang,

De goddelijke toonkunst en ’t gezang.

Ik min de bloemen met hun frisschen geur,

De vogels hoe verschillend ook van kleur :

Ik min de vrouw en eenmaal zag ik haar

Als bruid ik zag een schoon en jeugdig paar,

Ik min dat zoete heimwee in mijn borst :

Ik min het graf met zijnen rustenstijd ,

Ik min den Heer van tijd en eeuwigheid.

Naar Andersen,