is toegevoegd aan uw favorieten.

Marineblad jrg 9, 1894/1895 [volgno 5]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

56

DE VUURLEIDING AAN BOORD ONZER

laag in het schip met munitie-aanvoer bezig, de wapenen bij zich te te doen nemen, zooals thans geschiedt. Deze belemmeren de beweging der manschappen, en loopen groote kans op beschadiging. Al deze geweren kunnen nuttiger worden aangewend als reservewapenen voor. de manschappen, die aan het vuurgevecht deelnemen, en wier wapenen menigmaal verloren zullen gaan of onbruikbaar worden. Het beste ware dus, deze wapenen op licht bereikbare plaatsen, ofschoon zooveel mogelijk tegen vuur gedekt, in reserve te houden.

Dat hiermede de indeeling der wapenen in de gevechtsrol eene andere zal worden dan die in de rollen voor gewapende sloepen en debarkement, mag niet als bezwaar tegen deze regeling gelden. Men kan nu aan die manschappen, die bij laatstgenoemde rollen een revolver moeten hebben, dit wapen te onderhouden geven buiten en behalve het geweer, waarmede zij bij „alarm" gewapend zijn.

Werd boven een der hoofdvereischten voor eene goede vuurleiding genoemd, dat de bedoeling van den commandant volkomen bekend zij aan de officieren, bij de verschillende stukken in de batterij geplaatst, zoo is het duidelijk, dat hier niet kan worden verdedigd het schuiven van een tusschenpersoon tusschen den bevelhebber en die officieren, zooals het bestaand „Algemeen Reglement" dit bedoelt in den „luitenant ter zee, toegevoegd aan den commandant, ten einde hem in alles wat de batterij betreft, ter zijde te staan" en die „tevens belast is met de behandeling van het concentratiebord."

Wat dit laatste betreft in het enkele geval, waarbij misschien nog evenwijdig of geconcentreerd vuur electrisch zal worden afgegeven, kan de commandant het concentratiebord zelf behandelen of een der officieren in de batterij kan met behulp van een riehtkanon vuren, en wat het „ter zijde staan" betreft, waaronder niet anders verstaan kan worden dan overbrengen van orders of aanwijzingen en vragen van rapporten, hiertoe beschikke de commandant over telegrafen en spreekbuizen zoolang deze niet ontredderd zijn, en voorts over boodschappers van lageren rang dan luitenant ter zee. Juist echter omdat al deze communicatiemiddelen zoo kwetsbaar zijn en betrekkelijk altijd gebrekkig moeten werken, doordringe zich de commandant^ van de noodzakelijkheid van voorafgaand overleg met zijne officieren, opdat zij zijne bedoelingen zooveel mogelijk kennen. De plaats van den tweeden officier, belast met de artillerie, is dan ook m. i. het belangrijkst commando in de batterij, n. 1. het jaagstuk, de toren of de barbette. Een „commandant der batterij" is alleen noodzakelijk op kuilschepen, omdat de commandant zich daar te zeer buiten de controle op dé batterij bevindt.

Wat de bevelhebber van het schip wel noodig heeft, dat is een officier om hem ter zijde te staan in de besturing van het schip. Het_ is toch zeer waarschijnlijk, dat geen commandant van een schip in actie zich op den duur zal tevreden stellen met in den commandotoren te blijven staan, eene opinie, die ook onder vreemde zeeofficieren meer en meer veld wint. Er moet dus een officier zijn, die op aanwijzing van den commandant öf zelf het