is toegevoegd aan uw favorieten.

Marineblad jrg 11, 1896/1897 [volgno 7]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

UIT DE PERS.

108

zelfs de minst bevoegde niet twijfelen, en daarom heeft het onze instemming. Het komt ons toch voor, gelijk blijkt uit onze noot, die wij in den aanhef van dit artikel aanhaalden, dat versterking eenmaal zal noodig zijn en een wijs beleid vordert dat thans reeds — al zijn de verschijnselen die het eischen nog niet scherp geteekend — de hand aan den ploeg worde geslagen.

Er is door een Amerikaansch zeeofficier eenige jaren geleden een werk geschreven, volgens den schrijver bestemd om gelezen te worden door Ministers, staatslieden, handelaren enz. enz., dat een titel voerende „The influence of seapower upon history" zich, ofschoon met moeite, baan heeft gebroken in andere kringen dan juist die der zeeofficieren; naar wij hopen ook onder hen, die geroepen zullen zijn de Marinebegrooting voor 1897 te beoordeelen. Wel is de tijd voorbij, dat onze macht ter zee merkbaren invloed op de geschiedenis zal uitoefenen, maar wij zullen ons zeer zeker in de toekomst niet kunnen onttrekken aan de gevolgen van den invloed, dien de macht ter zee van de groote Mogendheden op de geschiedenis van Oost-Azië hebben zal. In Indië zullen wij ondervinden, dat elk gevolg op zijn tijd oorzaak wordt en the influence of seapower upon history verkeert in influence of history upon seapower, waar de vloten van Rusland, Engeland, Frankrijk in het Oosten, en dientengevolge die van Japan (later mogelijk ook die van China) zich steeds uitbreiden, moeten wij, vooral met het oog op de laatste Mogendheden, in de verte volgen.

Aan gebeurtenissen aldaar zien wij toch reeds hoe de geschiedenis haar invloed op het zeewezen doet gelden en die blik leidt tot de gevolgtrekking, dat de aangevangen ontwikkeling van Japan's vloot voorloopig niet zal eindigen. Men zal zich toch herinneren, hoe na den Japansch-Chineeschen oorlog Duitschland de vermeerdering van Rusland's invloed in het Oosten van Azië bevorderde en het verwijt niet ontging, dat het zich ten slotte ter zijde liet schuiven. Zou het vreemd zijn, dat Duitschlands doel was Rusland op den weg van ontwikkeling zijner macht aldaar voort te dringen en, dit doel bereikt hebbende, zich terugtrok ?

Onzes inziens niet, omdat, wil Duitschland in een eventueelen oorlog met Frankrijk in de Noordzee en den Atlantischen Oceaan de vruchten plukken van de groote sommen, besteed aan zijn marine en het Kaiser Wilhelm kanaal, bij welks aanleg strategische overwegingen zulk een groote rol speelden, dan moet het de handen vrij hebben in de Oostzee en de Russische zeemacht aldaar niet de proportiën aannemen, welke nog kort geleden in het vooruitzicht lagen. En dit kan niet beter bereikt worden dan door Rusland er toe te brengen op andere punten van den aardbol zijn vloot te versterken. Voorshands, kan men zeggen, is dit aan Duitschland gelukt en er is geen redelijke grond om aan te nemen dat zijn nabuur op den ingeslagen weg zal kunnen terugkeeren, en er dus een einde zal komen aan den strijd om den maritiemen voorrang in het Oosten. Een mogelijke beslissing ten gunste van Japan of China nu, moeten wij met gerustheid kunnen verbeiden.

M. '96-'97. 28