is toegevoegd aan uw favorieten.

Marineblad jrg 11, 1896/1897 [volgno 8]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BERAADSLAGING.

727

Minister zeer weinig spreken, maar alleen dit zeggen, dat die uitlating op mij opnieuw den indruk gemaakt heeft, dat ik het voorrecht zal moeten blijven missen dezen Ministe te begrijpen, zoodra hij het terrein der marine-defensie verlaat en het terrein deischeepvaart betreedt.

De Minister vraagt en verkrijgt bij herhaling millioenen tot aanbouw van marineschepen, doch is er quaestie van enkele duizenden ten behoeve van het loodswezen of ten behoeve van de verlichting, dan klinkt het van de groene tafel: te duur! Weet de Minister wel — en dit is eene opmerking die ik niet alleen richt tot den Minister van Marine, maar die ik zou willen richten tot het geheele Kabinet en tot alle volgende Kabinetten — weet de Minister wel, dat door die tactiek te volgen men het antimilitarisme kweekt, evenzeer als het conservatisme het socialisme kweekt ?

Men kent de discussie over de verlichting aan het Noorderhoofd aan den Waterweg; men weet ook wat er later gebeurd is. Men weet, dat de lichten aan den Waterweg juist in de periode, dat de marineschepen rond moesten stoomen naar den Waterweg, gedurende dertig uren gebluscht zijn geweest. Men weet, dat het vuurschip .Maas" zou moeten dienen voor verkenningslicht, dat volgens den Minister het in het leven roepen van krachtiger licht op het Noorderhoofd onnoodig maakte. Men weet, dat dit lichtschip door aanvaring gedurende den tijd van acht dagen buiten dienst is geweest, zonder dat het door een ander lichtschip vervangen is.

Indien men zich dit alles voor den geest haalt en men leest dan in de stukken, dat de minister het station Dungeness zou willen opheffen met het oog op de goede verlichting van onze kust, dan vraagt men onwillekeurig: is dit niet bittere ironie ?

De Minister heeft zich ten vorigen jare als raadgever opgeworpen van de geheele koopvaardijvloot, wier roekeloosheid volgens den Minister gebreideld moest worden en diezelfde Minister weigert de gelden die moeten dienen voor betere veiligheid der scheepsbemanningen. De Minister — het spijt mij dit te moeten zeggen — die voor anderen de voorzichtigheid predikt, zendt zijne marineschepen naar buiten op een oogenblik, waarop de hardvochtigste reeder zijne gezagvoerders znlk een order niet zou durven geven.

De Minister zoekt zijne kracht in bezuiniging van enkele duizenden guldens en benoemt eene Staatscommissie, zoo beperkt in haar mandaat, dat die commissie niets anders kan adviseeren dan het excedent dat het loodswezen oplevert door tariefvermindering weg te werken.

Mijnheer de Voorzitter! Het debat tusschen dezen Minister en mij is dit jaar gesloten.

Ik voor mij herhaal thans wat ik zeide toen ik de zaak hier voor het eerst inleidde: „Zij die gelooven haasten niet".

Aan reederijen en belanghebbenden wordt voorgespiegeld verla ging van loodskosten, mits niet tot stoomloodswezen worde over-