Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAECILIA EN HET MUZIEKCOLLEGE

265

Rossini. Zij stellen wanneer 't er op aankomt hem teleur; misschien maakt alleen hij zijn deel. Wij hebben 't als het slot van zijn doodenmis voor zijn vriend en medepatriot Manzoni, waarin een dramatische, hier en daar zelfs theatrale trek, die velen, en, althans later, ook wel Italianen heeft gestoord, het besef van warmhartige wijding ongerept kan laten, de gewaarwording van het mystische niet behoeft weg te nemen en zeker vergeten moet zijn bij heilig ontroerende verlangensuiting als van den aanbiddenden Mahler.

Reeds tijdens maar inzonderheid na de bevrijdingsoorlogen verkondigt hij de wereld Italië's vernieuwden kunstroem. Hij geeft den muzikalen luister van de tentoonstelling te Parijs in '55: Les Vèpres Siciliennes (Scribe en Duveirier), van die te Londen in '62: Inno delle Nazioni, van het schouwburgseizoen in hetzelfde jaar te Petersburg: La forza del destino, van de feesten waarmee men in '71 te Caïro het openen van 't Suez-kanaal viert: Aïda. Rigoletto, Trovatore, Traviata toonen alom de macht van zijn hartstochtelijk, aan dynamisch en ander contrast overrijk pathos, zijn bravourelan, zijn smartelijke teederheid. Niet spoedig wars van overgeleverden bouw, evenmin vroeg vervreemd van oude praktijken, zoodat Rigoletto geen zes weken kost en de voor Giovanna d'Arco geschreven ouverture nog in '55 voor Les Vèpres Siciliennes dient, heeft hij toch tegen zijn veertigste jaar allengs het Italiaansch operatype zeer gewijzigd, de behaagzucht der voorgangers met hun menigmaal tekstverzakende huldiging der welluidendheid en virtuositeit verlaten, aan woord en situatie zijn trouw verpand en niet alleen dikwijls een persoon meelevend- en lijdend verbeeld naar lichaam en ziel, de broze Violetta het aandoenlijkst, maar ook soms een tafreelatmosfeer geschapen, zooals de beklemmende van het kaartspeltooneel in Traviata. Geen kunstrevolutie begeerend, eer ze vermijdend om voor het volk be¬

vattelijk te blijven, ziet hij zich door eischen zijner onderwerpen verder en verder van de vormtradities gedreven. Hij wint tevens als harmonist en symphonist de noodige toerusting, die voor Un ballo in maschera veelzijdig en voor Aïda door het uitheemsche, weidsche, sacrale bij de geheimzinnige natuurgrootheid weer vermeerderd wordt. Zijn leeftijd en een lange pauze doen het einde dan bereikt wanen, maar Boito, sterker dramaturg dan zijn productiefste vorige medewerker, zijn gestorven vriend Piave, wiens dochter zijn pleegkind is, ontlokt hem de heftig aangrijpende karakteristiek van Otello, daarna den forschen en bevalligen humor van Falstaff, het vitaliteitswonder van den tachtiger.

Hij die zoo gaarne zich een boer heeft genoemd mag het op Sant' Agata bij de korenvelden, het jonge bosch en de veulens met vreugde wezen, totdat hem in '98 het verlies treft van zijn tweede vrouw, Guiseppina Strepponi. Zij was zijn onvergelijkelijke vertolkster die hem met Nabucco hielp overwinnen, en vijftig jaren zijn levensgezellin. Ter gedachtenis der betreurde sticht hij voor honderd bejaarde toonkunstenaars een tehuis. Men hoort te Parijs het eerst zijn laatste werken, de Perzi sacri: Ave Maria, Stabat Mater Dolorosa, Laudi alla beata Vergine (naar Dante), Te Deum.

Het Ave, vocale polyphonie met de „scala enigmatica" c, des, e, fis, gis, ais, b, c, den cantus firmus waarmee de stemmen beurtelings omhoogreiken, is veel meer dan technisch experiment en symboliekspel. De belijdenissen der andere stukken doen nauwelijks denken aan studie maar het meesterschap ook buiten de gewone terreinen der opera groot gevoelen. Daarvan getuigt trouwens ook de Falstaff-finale, gelijk de beide fuga's van het Requiem en de stijl van 't vermoedelijk weinig vroeger dan de doodenmis gecomponeerde strijkkwartet.

In '71 noodigde het conservatorium van

Sluiten