Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

47

en beteekenende muziekdrama, of liever, het is het eenige muziekdrama dat Duitschland heeft zien verschijnen na Parsifal.

_ Zooals men weet, heeft Beethoven drie ouvertures gecomponeerd voor zijn opera onder den titel Leonore, en later een Fidelio-omrertme, die veel lichter van stijl is en beter als aanvang past voor het losse tafereeltje tusschen Marzelline en Jaquino. De derde Leonore-ouverture, de meest volmaakte der drie, wordt door sommigen aan het begin, doch door velen voor de tweede acte gespeeld, maar daar hoort zij evenmin recht tehuis, omdat Beethoven daarvoor eene zeer stemmende inleiding geschreven heeft. De heer Desider Marcus, vroeger dirigent aan de opera Van der Linden en thans aan de Hofopera te Budapest als zoodanig werkzaam, heeft indertijd die ouverture laten spelen voor het laatste tafereel; zelfs heeft Hans von Bülow eens de Leonore No. 3 geheel aan het slot der opera laten hooren. De heer Marcus heeft nu een rondschrijven aan de meest bekende kapelmeesters gericht met verzoek hun meening hierover kenbaar te maken. Die antwoorden geven geen oplossing, want ze loopen sterk uiteen. De meerderheid was er voor de MefeMo-ouverture in E. gr. t. aan 't begin te laten hooren en de Leonore No. 3 voor de tweede acte. Zoo geschiedt het in Weenen altijd, schrijft Gustav Mahler. Zoo denken Nikisch en Karl Goldmark er ook over, maar Mottl schrijft: Het ergste schijnt mij de te Weenen gevolgde plaatsing der ouvertures toe. Hans Richter zegt dat de groote Leonore alleen in de concertzaal tehuis behoort. Daar zij echter op het publiek zulk een groote aantrekkingskracht oefent, drukt zij te veel op het heerlijke voorspel der tweede acte. Over het spelen voor het laatste tafereel of aan het slot zegt hij dat zulks alleen door kapelmeesters geschiedt die opzien willen baren. Dit aan het adres van Hans von Bülow! Voor het geheel weglaten van de groote ouverture stemt Mottl, waarin Richard Strauss hem bijvalt, die echter eens te München, waar hij vroeger Hof kapelmeester was, de beide ouvertures achter elkaar heeft laten spelen voor de eerste acte. Dit is het oordeel der meest gezaghebbende dirigenten, waarmede — zooals men ziet — de quaestie allesbehalve is opgelost.

Eugène Ysaye uit Brussel viert deze maand het 10-jarig bestaan zijner concerten, die zulk een groote beteekenis in het kunstleven aldaar hebben verkregen.

Naar aanleiding van den ISOsten geboortedag van Wolfgang Amadeus Mozart (27 Januari 1906) is te Berlijn in de Mitteilungen für die Mozart-Gemeinde een „Eestschrift" van de hand van Rudolf Genée verschenen: „Vom Wunderkind zur Meisterschaft", waarin vooral veel interessante bijzonderheden betreffende Mozart's succes als wonderkind zijn vermeld. Na een verhaal van de eerste reizen, o. a. naar Parijs, zegt de schrijver: Daar kwamen Leopold Mozart en zijn kinderen door aanbevelingen ook in aanraking met Joh. Melchior Grimm, die toen reeds 14 jaar te Parijs woonde en den grooten encyclopedist Diderot.

Daardoor werden de Mozarts in de eerste salons van Parijs geïntroduceerd.

Grimm schrijft in eene „correspondance littéraire", December 1763, o. a. het volgende: „De ware wonderen zijn te zeldzaam om er niet van te spreken, wanneer men een enkele maal gelegenheid heeft die te aanschouwen. Een kapelmeester uit Salzburg is hier aangekomen met twee van de liefste kinderen die men zich denken kan. Zijne dochter, die elf jaar is, speelt op de meest brillante wijze klavier. Met verbazende zekerheid voert zij de grootste en zwaarste stukken uit. Haar broeder, die in Februari zeven jaar wordt, is een zóó buitgewoon phenomeen, dat men moeilijk gelooven kan wat men toch met eigen oogen ziet en met eigen ooren hoort. Voor dit kind is het een bagatel met volkomen zekerheid de zwaarste stukken uit te voeren, met handjes die nauwelijks zes toetsen kunnen omspannen. Het schijnt geheel ongelooflijk den knaap een uur lang uit het hoofd

Sluiten