is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; weekblad gewijd aan de techniek en de economie van openbare werken en nijverheid jrg 12, 1897, no 3, 16-01-1897

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2',)

M *

STATEN-GENER AAL. De Waterstaatsbegrooting voor 1897.

DEBAT TWEEDE KAMER. Na de sluiting der algemeene beraadslagingen werd allereerst het woord gevoerd door den heer Bahlmann over het, hoofdzakelijk in het belang van Tilburg, ontworpen kanaal ter verbinding van de ZuidWillemsvaart en de rivier de Mark onderling en met de rivier de Amer. Uit diens rede citeeren wij het volgende:

Dd. 25 Juli 1895 hebben de Gedeputeerde Staten van Noord-brabant het navolgende schrijven tot den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid gericht:

>>Wij hebben de eer nevens deze aan uwe Excellentie te doen toekomen een afschrift van het besluit der Staten in tweevoud, genomen m hunne vergadering van den 19den dezer, waarbij onder daarbij gestelde voorwaarden eene bijdrage wordt verleend van een millioen gulden m de kosten van aanleg van een scheepvaartkanaal met groot profiel, ter verbinding van de Zuid-Willemsvaart en de Mark onderling en met de rivier de Amer, zooals dit op de hierbij gevoegde kaart en beschrijving is'aangegeven. .

»Wij nemen hierbij de vrijheid Uwe Excellentie te verzoeken dat besluit voor zooveel noodig aan de goedkeuring van de KoninginRegentes te onderwerpen. . . . ,

»Wij voegen hierbij afdrukken van de door de commissie uit de Staten voor het kanaal en door de commissie van rapporteurs uitgebrachte verslagen, benevens een afdruk van ons schrijven aan de Staten, waarbij de aanleg door ons met warmte is voorgestaan.

«Onder verwijzing naar den inhoud dier belangrijke stukken zij het ons vergund Uwe Excellentie te wijzen op het groote belang, dat voor de provincie in het tot stand komen van het kanaal is gelegen en op de aanzienlijke bijdrage, die zoowel door de provincie als door de betrokken gemeenten zijn toegezegd.

»In de desbetrekkelijke verslagen is een en ander op meer dan voldoende wijze in het licht gesteld. Met een enkel woord mogen wij bij uwe Excellentie in herinnering brengen de groote geldelijke oilers, die de Staat zich getroost heeft tot aanleg van waterwegen, met name het Merwedekanaal en de Rotterdamsche en de Amsterdamsche waterwegen en mogen wij op dien grond dan ook vertrouwen, dat uwe Excellentie zal bereid bevonden worden den aanleg van het kanaal, waarvan de kosten zijn begroot op nog geen vijf millioen, doch waarin door de provincie en de betrokken gemeenten voor p. m. twee millioen zal worden bijgedragen, te bevorderen.» •

Dit was een schrijven dd. 25 Juli 1895; dat schrijven bleef sedert langen tijd onbeantwoord, zoodat belanghebbenden en belangstellenden zich verplicht achtten bij den Minister, hetzij officieel of officieus, op eenig antwoord aan te dringen. Dat eenig antwoord van de zijde des Ministers kwam eerst 1 Juni 1896; het is een staaltje ter adstructie van hetgeen de heer Van Alphen in het midden gebracht heeft over het beleid van dezen Minister. Eindelijk - een jaar later - kwam er dus een antwoord, dat aldus luidt: .

>,De stukken, betreffende den aanleg van een groot-scheepvaartkanaal ter verbinding van de Zuid-Willemsvaart met de Mark en aen Amer, zijn in handen gesteld van den hoofdingenieur in het zesde district. Het onderzoek, dat in verband met de verschillende bij de zaak betrokken belangen veel tijd en studie vereischt, is nog met atgeloopen.

»Mocht tegen de uitvoering van het ingezonden ontwerp geen bezwaar bestaan, dan zal zijn te overwegen, of en in hoeverre voor de uitvoering van dit werk medewerking van het Rijk zou kunnen worden verleend. Op aanleg van Rijkswege, ook met de toegezegde bijdrage van de provincie, kan ik evenwel geen uitzicht geven.»

Mijnheer de Voorzitter 1 Dat antwoord was reeds een groote teleurstelling want de conditio sine qua non van het tot stand komen van dit kanaal, was dat de aanleg zou geschieden van Rijkswege, anders vreest men dat van de zaak niets zal kunnen komen.

Maar nog teleurstellender was het antwoord, dat Gedeputeerde Staten kregen op 16 October 1896; dus alweer eenige maanden later. Daarin zegt de Minister: . 0 . .„ , ,

»Onder verwijzing naar mijn schrijven van 1 Juni 11., n . neo ik de eer uw college mede te deelen, dat het onderzoek van het ontwerp voor den aanleg van een kanaal van de Zuid-Willemsvaart naar de Mark en den Amer thans is atgeloopen.

»Daarbij is niet gebleken, dat uit een technisch oogpunt tegen de uitvoering van het werk, voor zooveel de belangen van het Rijk aangaat, beïwaar zou moeten worden gemaakt. Zooals u reeds bij mijne Sangehaalde missive werd medegedeeld, kan echter geen uitzichtgegeven worden op aanleg en onderhoud van het kanaal door het Rijk «Mocht de provincie genegen worden bevonden dien aanleg en dat onderhoud op zich te nemen, dan zal nader zijn te overwegen, m welke mate van Rijkswege in de kosten van aanleg zou kunnen

worden bijgedragen." , . .. , 0, .

Ik herhaal, dat dit antwoord van den Minister zoowel bij de Staten van Noordbrabant als bij de bewoners van die provincie in het algemeen maar in het bijzonder het district dat ik de eer heb hier bij de Staten-Generaal te vertegenwoordigen, groote teleurstelling gebaard heeft.»

De heer Bahlmann bracht verder in herinnering dat reeds gedurende de Bataafsche Republiek pogingen werden gedaan om een dergelijk k-inaal te krijgen- dat die pogingen werden herhaald onder de regee¬

ring van Koning Lodewuk; dat later zoowel Koning Willem I als H. D. Opvolger zich aan de zaak gelegen lieten liggen, zonder dat evenwel het doel bereikt werd, en eindelijk dat in 1878 de Minister Tak in zijn bekende kanaalwet een Rijkssubsidie van 9 ton voorstelde voor den aanleg van een kanaal van Eindhoven langs Tilburg naaiden Amer welk voorstel met 1 stem meerderheid verworpen werd. Na al die'teleurstellingen vond spreker het antwoord van den tegenwoordigen Minister ontmoedigend. Hij achtte het bovendien ook niet gemotiveerd. Waarom mag het werk niet van Rijkswege worden aangelegd, vroeg hij. En dan luidde zijn antwoord:

«Wanneer men uit de begrooting, die voor ons ligt, eenvoudig datgene optelt, wat voor andere kanalen, die geen internationale kanalen zijn, wordt uitgegeven, dan moet ieder argument wegvallen voor de weigering der Regeering, om dit kanaal van Rijkswege aan te leggen. Het Noordhollandsch Kanaal — ik spreek nu niet van het Noordzeekanaal — kost jaarlijks aan onderhoud de niet onbelangrijke som van f 160,000, en dit is een zuiver provinciaal kanaal, niets meer en niets minder. Wanneer het waar is, dat de Minister zulk een voorstander van decentralisatie is, dan had hij reeds lang het onderhoud van het kanaal aan de provincie Noordholland moeten opdragen. Voor het kanaal door Voorne en het Zederikkanaal gelden dezelfde redenen; het zijn provinciale kanalen, die van Rijkswege worden onderhouden. Hetzelfde is het geval met de kanalen naar Ter Neuzen en door Walcheren. Waarom wordt dan aan Noordbrabant geweigerd om dit kanaal van Rijkswege aan te leggen? De Minister weet toch zeer goed dat de financieele toestand van de provincie niet toelaat om den aanleg en het onderhoud geheel voor eigen rekening te nemen, vooral niet wanneer er later een wetsontwerp mocht aangenomen worden, waarbij de tollen op vaarten en wegen worden afgeschaft. Geschiedt dit, dan zal de provincie het geld niet kunnen vinden tot onderhoud van het kanaal. Wanneer dus de aanleg van Rijkswege niet geschiedt, dan kan het werk niet tot stand komen. Nu zou ik wel eens willen zien dat de Regeering kon aantoonen welke redenen er bestaan om den aanleg van het kanaal niet van Staatswege te doen geschieden.»

Men merkt terstond de kleine handigheid aan het eind dezer rede op Immers, als de provincie Noordbrabant besluit aan het Rijk een subsidie aan te bieden voor een werk dat zij op Rijkskosten wenscht te zien uitgevoerd, ligt het voor de hand, dat op de provincie de. verplichting rust het bewijs te leveren, dat hier niet van een provinciaal- maar van een Rijkswerk, sprake kan zijn: de heer Bahlmann echter keert de rollen om en eischt van den Minister dat deze aantoone waarom het kanaal niet van Staatswege kan worden aangelegd. In het hier volgend antwoord bracht de Minister de zaak weer op zuiver terrein.

«De geachte afgevaardigde uit Tilburg, de heer Bahlmann, heeft het ontworpen scheepvaartkanaal van de Zuid-Willemsvaart naar Tilburg ter sprake gebracht en zijn leedwezen te kennen gegeven, dat de Regeering niet bereid is den aanleg van dat kanaal van Rijkswege

teDeeV°eSte'afgevaardigde is daarbij getreden in een historisch overzicht van de zaak en heeft gewezen op het groote belang, dat Iilburg

b'\lH3rme(iea kan^k instemmen. Ik meen, dat er te recht voor Tilburg een groot belang in kan worden gezien, dat dit kanaal tot stand komt en de verlenging van het kanaal van Tilburg naar de ZuidWillemsvaart zal zeker tot ontwikkeling voor de geheele betrokken streek strekken, maar de gronden der beweegredenen, waarom die aanleg van Rijkswege zou moeten geschieden, heb ik met kunnen

°nDee geachte afgevaardigde heeft gewezen op andere voorbeelden en daarbij genoemd kanalen voor de groote scheepvaart. De aanleg van de aroote scheepvaartkanalen is steeds van Rijkswege geschied, ten aanzien van het Noordhollandsch kanaal kan ik antwoorden dat sedert het Noordzeekanaal is tot stand gekomen, ongetwijfeld niet meer dezelfde redenen bestaan om dit kanaal van Rijkswege tebeheeren als vóór dien tijd het geval was. De Staat is nu evenwel met het' onderhoud van dat kanaal bezwaard. Het is indertijd aangelegd als groot scheepvaartkanaal ter verbinding van Amsterdam met het Nieuwediep. Weet men een middel om er van af te komen dan is dit te onderzoeken. In afwachting daarvan blijft de toestand zooais die is Iets dergelijks geldt voor het kanaal van Voorne.

De geachte spreker heeft de vergelijking voortgezet en noemde ae kanalen in Zeeland; deze evenwel zijn waarlijk niet in de; plaats voor Zeeland gemaakt, maar voor de vaart "^...f61^ en strekken bovendien ter vervanging van afgedamde natuurlijke water-

WHhnis echter een aantal andere provinciën stilzwijgend voorbijgegaan. Hii heeft niet gewezen op het voorbeeld van Friesland, Groningen Overijssel — provinciën die met kracht en energie den aanleg en het onderhoud van kanalen hebben ter hand genomen

Toen deze provinciën groote verbeteringen aan die kanalen moesten uitvoeren hebben zij subsidie aan den Staat gevraagd en op die wijze de vereischte werken uitgevoerd. Welke reden is er waarom de nrnvincie Noordbrabant niet hetzelfde zou doen met het kanaal waarvan thans sprake is? Noordbrabant heeft reeds de Zuid-Willemsvaart voor zoover die binnen die provincie gelegen is, welke vaart geheel en al van Rijkswege wordt onderhouden. Waarom onttrekt JNoord-