is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; weekblad gewijd aan de techniek en de economie van openbare werken en nijverheid jrg 12, 1897, no 18, 01-05-1897

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

M 18.

220

kanaal niet wil onderwerpen, is immers geplaatst voor de groote kosten en het tijdverlies, die aan de vaart om de Kaap de Goede Hoop zijn verbonden. Indien daarentegen de afzender de lading graan uit Britsoh-Indië, naar het Noordwesten van Europa bestemd, kiezen moet tusschen Hamburg, Amsterdam, Botterdam, Antwerpen en Havre, laat hij den haven immers links liggen, waar de toegang te smal en de bruggen te nauw zijn, waar' de vaart te veel gevaar en tijdverlies met zich brengt.

Om niet te worden misverstaan, erken ik gaarne, dat de op te kleine schaal ontworpen verruiming van kanaal en brugwijdte eene verbetering brengt, zoodat zelfs de betrekkelijk groote nieuwe stoombooten der Maatschappij Nederland van 121,4 M. lengte, 13,72 M. breedte en 7,40 M. diepgang daardoor gebaat worden, maar het kanaal wordt reeds bevaren door meer diepgaande schepen en de sluis te IJmuiden is geschikt voor schepen van 200 M. lengte, 21 M. breedte en ruim 9.0 M. diepgang en voor dergelijke schepen is de verhouding tusschen het ingedompeld dwarsprofiel van het schip en de dwarsdoorsnede van het kanaal en evenzoo de brugwijdte, voor een haventoegang veel te klein. Zegt men nu, later kan men de werken weder vernieuwen, dan wordt daarbij over 't hoofd gezien, hetgeen zoo zwaar weegt, dat eene meerdere ruimte van dwarsprofiel door verminderden wederstand en grooter toe te laten snelheid een groot voordeel brengt aan alle kleinere vaartuigen; dat de kostbare overbrugging noodeloos twee maal moet betaald worden; dat intusschen de uitvoering van het werk in vier tempo's veel te veel tijd omvat, dat al de reeds uitgegeven millioenen slechts onvoldoende vruchten leveren, en dat aan Amsterdam vele jaren lang de gelegenheid wordt onthouden de vleugels op nieuw ter volle breedte uit te slaan en als weleer een deieersten te zijn in de bezorging van het groote wereldverkeer.

Ruim tien jaar geleden ontwierp de Regeering eene aanvullingssluis te IJmuiden oorspronkelijk van 8 M., later van 8.5 M. diepte. De Commissie van Rapporteurs stelde bij de behandeling van het sluizenplan in de Tweede Kamer der Staten-Generaal voor, de diepte op ongeveer 9 M. te brengen. Dit geschiedde. Op dit oogenblik is er in Nederland geen enkel ingenieur, die de sluisdiepte overdreven acht, die niet erkent, dat eene mindere diepte eene fout en, in de toekomst eene ramp, voor Amsterdam zou zijn geweest. De wijsheid werd niet door de zuinigheid bedrogen.

In 1881 werd besloten Amsterdam eene betere verbinding te bezorgen met den Boven-Rijn. Uit spaarzaamheid werd eene richting gekozen, die het uit Keulen komende schip te Gorcum brengt dicht bij Rotterdam, om van daar door een lang, betrekkelijk nauw kanaal met 9 bruggen en 6 sluizen de Hoofdstad te kunnen bereiken. Krachtige waarschuwingen deden zich hooren. Te' vergeefs. Het technisch welgeslaagd kanaal, dat van groote waarde is voor de binnenvaart en ook eenige grootere Rijnschepen naar de Hoofdstad voert, kan aan Amsterdam natuurlijk niet de handelsontwikkeling brengen, die beoogd werd. De wijsheid werd door de zuinigheid bedrogen.

Wordt nu het oog gericht op de besproken, kolossale ontwikkeling van het internationaal verkeer in onze dagen, op het eigenaardig verschil tusschen een haventoegang en een kanaal, op het groote voordeel, dat een voor doorgaand verkeer van. twee zeer groote schepen geschikt dwarsprofiel voor alle kleinere vaartuigen aanbiedt, — zoo ten aanzien der snelheid en der kosten als met het oog op gevaar van stranding en aanvaring, — dan wordt eene nadere overweging van het ontworpen werkplan zeer ernstig aanbevolen, opdat de wijsheid niet door de zuinigheid worde bedrogen.

Herhaaldelijk is Rotterdam genoemd en de vraag kon wellicht rijzen, of de tweede groote zeehaven aan de handelsbeweging langs de Maas niet schade zou kunnen doen. Ook hier is geen bezwaar te duchten. Rotterdam is de door hare natuurlijke ligging boven allen rijk gezegende haven, wier toekomst verzekerd is, onafhankelijk van de mededinging der Hoofdstad. Maar de Maasstad zal in de toekomst tot breeder ontwikkeling worden geroepen, naar gelang door de som van beider inspanning het totaal aandeel van Nederland in de internationale handelsbeweging van Noord-Europa, zal stijgen.

Toen ik mij het eervol vooruitzicht zag geopend van deze plaats het woord te mogen richten tot eene uitgebreide schare van zoo hoogst bekwame beoefenaren der Natuurwetenschappen, heb ik "■emeend als oiviel-ingenieur tot U te moeten spreken en daartoe oekozen het onderwerp, dat ik in ons land op dit oogenblik van de grootste, actueele beteekenis acht. Ik mocht niet terugdeinzen voor het bezwarende, dat bij verschil van gevoelen steeds aan het bepleiten van eigen inzichten is verbonden, ook al worden deze door zeer bevoegde zaakkundigen gedeeld. Ik zal zeer dankbaar zijn, indien de juistheid mijner uiteenzettingen nader mag worden overwogen en beschouw het als een kostbaar voorrecht, dat de meerdere aaneensluiting van dit Congres met de ingenieurs-wereld

gelegenheid geeft dergelijke technische onderwerpen van algemeen staatsbelang onder de aandacht van een zoo talrijken, wetensohappelijken kring te brengen. Heb ik al reeds op dezen grond Uwe komst herwaarts met ingenomenheid tegemoet gezien, gij, M. H. bezit veel hoogere rechten op een welkome ontvangst in dezen kring der Polytechnische School. Het is toch op den grondslag der Wiskunde, dat de ingenieurs-wetenschap wordt opgebouwd, het is op het uitgestrekt gebied der Natuurkunde, dat de noodige gegevens voor het grootste deel onzer werkzaamheid worden, verzameld en het is immers op het terrein der volksgezondheid, dat vele van de hoogere eischen en nieuwe behoeften rijzen, die door den ingenieur moeten worden bevredigd. Wij nemen van de nieuwste vorderingen der Wetenschap met bewondering en dankbaarheid kennis en, waar ook ons leven voor een deel door waarnemen van verschijnselen en verzamelen van feiten is ingenomen, schatten wij de vruchten van Uw zuiver wetenschappelijk onderzoek op hooge waarde. Wij hebben Uwe hulp en meerdere verlichting noodig zelfs bij de schijnbaar meest eenvoudige toepassingen van ons bedrijf. De wederstand onzer heipalen, de versteening der betonfundamenten, de bescherming van metaalmassa's tegen schadelijke, atmosferische invloeden, de verwarming en ventilatie der gebouwen, de beteekenis van het constante van een polderpeil voor de gezondheid, de beoordeeling der kwaliteit der bouwstoffen, ziedaar enkele voorbeelden van het zeer vele, dat wetenschappelijk nog onvoldoende is toegelicht en bij het nader onderzoek waarvan wij op Uwe medewerking en voorlichting rekenen.

De ingenieurs-wetenschap, als georganiseerde tak de jongste der zusteren, is op dien leeftijd gekomen, dat zij in den vreemde als mondig beschouwd en op voet van gelijkheid met de oudere zusters wordt verzorgd, gekleed en gevoed. Dat wil zeggen, dat tot opleiding van nieuwe geslachten een ruime staf van bekwame, ervaringrijke mannen in haren dienst wordt werkzaam gesteld en dat op onbekrompen wijze installatiën, lokalen en werkplaatsen verrijzen, naar gelang de vooruitgang der wetenschap ze behoeft.

Zoo zijn wij in Nederland nog niet. Bedrieg ik mij in de onderstelling, dat de jongste zuster bij meer dan één Uwer voor den geest

rijst als eene kleine Asschepoester, die den rijken Prins nog

niet gevonden, heeft ? Toch zijn wij op den goeden, weg. Eenige jaren geleden ontwaakte meerdere belangstelling voor de Polytechnische School, verkregen de leerkrachten eenige versterking', werd in een gebouw de noodige ruimte voor de Geodesie beschikbaar gesteld, eene inrichting voor Bacteriologie gesticht en eene electrische installatie in werking gebracht. Belangrijke en omvangrijke aanvullingen en uitbreidingen zullen weldra volgen, want het geheele publiek begint eindelijk in te zien, dat de beteekenis der ingenieurstaak in de nieuwere maatschappij eene zoodanige uitbreiding heeft verkregen, dat de belangen van land en volk moeten schade lijden door eene gebrekkige, onvolledige organisatie der technische staatsschool. Laat ons dus hopen, dat een voldoende toestand binnen weinige jaren mag worden te gemoet gezien.

Men stelle zich dan niet voor den geest, dat, als na 1600, weder anderhalve eeuw rust zal volgen, eer nieuwe groote bijvoegingen, splitsingen en uitbreidingen zullen noodig zijn. Daartoe leven wij te midden eener te groote ontwikkeling. Daartoe vorderen de tegenwoordige, maatschappelijke toestanden te groote omvangrijke verbeteringen, wijzigen zich de volksbehoeften te veel en te veelvuldig. De geleerden wagen zich al reeds aan voorspellingen omtrent de techniek der toekomst. Zoo onderstelt Bebthelot in zijne dezen winter verschenen Science et Morale, dat de ingenieurs over 100 jaar in staat zullen zijn putten te boren, van 4000 M. a 5000 M. diepte, om aldaar gedurende duizende jaren alle noodige warmte te vinden en daaraan de arbeidskracht en het noodige microbenvrije water te ontleenen.

Welnu, hetzij in dezen vorm of wellicht in een anderen, een groot deel van den arbeid der toekomst is in elk geval voor den ingenieur weggelegd. Ik wil eindigen met het uitspreken van den wensoh, dat de ingenieur in de toekomst zich ten allen tijde aan eene technische hoogeschool zoo zal kunnen vormen, als met toepassing van de nieuwste vindingen der Wetenschap, in overeenstemming zal zijn met de eer van zijn land.

(Wordt vervolgd).

A.ANTEEKENINGEN UIT TECHNISCHE TIJDSCHRIFTEN

«ENGINEERING», April 1897. (Bewerkt door J'. J. W. v. Loenen Martinet.) Zelfontbrandbare stoffen.

Een lezenswaardig artikel over dit onderwerp in het nommer van 2 April begint met de opmerking dat het groote aantal branden' waarvan de oorzaak onbekend is (in Londen gedurende 1894 van dOol