is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor Neerland's Indië jrg 15, 1886 (1e deel) [volgno 6]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

357

Tenzij dit gebeure, vermeenen de Indiërs dat het gouvernement van Indie in het duister zal blijven rondtasten en dat er niets van hervorming zal komen.

't Is duidelijk, evenwel, dat dergelijke initiale veranderingen slechts een eerste stap zijn in de richting van oneindig belangrijker hervormingen. Wat Indie werkelijk vraagt als de eindpaal zijner eerzucht is zelfregeering — dat wil zeggen, dat niet alleen de uitvoerende, maar tevens de wetgevende en financiëele macht aan inlandsche handen wordt toevertrouwd. Tegenwoordig berust het wetgevend gezag van elk Presidentschap bij den gouverneur in rade, en er is hoegenaamd geen stelsel van populaire vertegenwoordiging, zelfs van den meest beperkten aard. De raden zijn geheel samengesteld door benoemde leden, en, met weinige uitzonderingen, door Engelsche officiëele benoemden, en hunne functien bepalen zich tot considereeren en advieseeren, want zij hebben geen werkelijke bevoegdheid tot initiatief of veto. In ieder dezer raden is een plaats gegeven aan enkele inlanders, doch zij zijn hoegenaamd geen vertegenwoordigers van het volk, integendeel, door het gouvernement benoemd en in den regel gekozen wegens hunne gedienstigheid voor de idees van den gouverneur van den dag; en hunne onafhankelijkheid is verder geheel gefnuikt door hunne tijdelijke benoeming voor den tijd van slechts drie jaren, na ommekomst waarvan zij door een blooten gril van den gouverneur kunnen vervangen worden. Alle andere leden — en zij vormen de groote meerderheid — zijn Engelsche burgerlijke en militaire ambtenaren, die een benoeming in den raad als een prijs voor doer hen bewezen diensten beschouwen en die gewoonlijk de „ quintescence" der officieele idees vertegenwoordigen.

Lord Eipon deed zich, inderdaad, veel moeite om mannen van liberale denkwijze in zijn eigen oppersten raad bijeen te brengen; doch in den regel zijn de personen in die positie slechts bedacht op hunne herbenoeming na den termijn van drie jaren. In stede dus van de denkbeelden der inlandsche