is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor Neerland's Indië jrg 15, 1886 (2e deel) [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

11

mij stak, na mijn nat pak uitgeworpen te hebben, vond ik hier volstrekt niet „ lekker", en ik was blijde toen ik van mijn gastheer een flinke demi-saison kreeg om er over aan te trekken, in welk kleedingstuk ik te twee ure in den namiddag, toen het weer droog was en het zonnetje helder scheen, bergop, bergaf klom om den tuin te bezien, zonder er den minsten last van te hebben.

„Voor den afvoer der koffie, die op de hoogere gedeelten der plantage geteeld werd, naar de bergplaatsen maakte men zich met veel overleg het water der bergstroomen ten nutte, dat ook als middel om de vruchten te weeken en de pulpers in beweging te brengen werd aangewend. Alles geschiedde hier op grootsche schaal en naar de nieuwste en beste methoden. Naar gelang van de meerdere of mindere drukte, en ook van het aanbod van werkkrachten, waren er van driehonderd tot duizend koelies op de onderneming werkzaam. Deze werklieden waren bijna uitsluitend Maleiers en niet van de beste soort. Zij kwamen voor het grootste gedeelte zeer ongeregeld op. Het ligt geheel in den aard van de menschen, die hier voor dergelijke werkzaamheden te vinden zijn, onmiddellijk rust en ontspanning te gaan nemen zoodra zij het vooruitzicht hebben van weêr voor eenige dagen eene zekere weelde te kunnen genieten. Zij waren ook niet te bewegen om zich blijvend met hunne gezinnen op de ondernemingen te vestigen. Het personeel was gewoonlijk zeer afwisselend, hetgeen almede niet bevorderlijk was aan den goeden gang van zaken. Vooral in tijden, als de vruchten bij massa's rijpen, kan het gemis van de noodige handen groote schade veroorzaken. Op deze en eene nabijgelegen plantage heefy, men getracht door den aanvoer van Javaansche koelies eene meer vaste arbeidersbevolking te krijgen; groote sommen heeft men uitgegeven aan handgelden, voorschotten en transport, maar de resultaten van dezen maatregel zijn zoo onbevredigend mogelijk geweest. Ook van Java kreeg men slecht volk, terwijl de onvriendelijke verhouding tusschen de Javanen en de Maleiers dikwijls aan-