is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift voor Neerland's Indië jrg 21, 1892 (1e deel) [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

li!)

groot is als een derde gedeelte van het eiland Java; een groot deel van het land, voornamelijk de zeekust, is weinig of niet bewoond en bestaat uit moerassige bosschen, op honderden plaatsen van uit zee toegankelijk door riviermondingen en kreeken en in alle richtingen met waterwegen doorsneden, die den sluikhandel welkome schuilplaatsen en sluippaden aanbieden. Aan de landzijde staten onder inlandsch bestuur, waarin men ondanks het Fransch protectoraat weinig medewerking tot wering van den sluikhandel verwachten kan. Er is een druk personenverkeer met Hongkong en Singapore, hoofdzakelijk bestaande uit duizenden Chineezen, die per jaar komen en gaan, en de kusten worden jaarlijks bezocht door honderden visschersvaartuigen, in Siam, Singapore en Hainan uitgerust, die vaak voor den sluikhandel Worden benut. Voor den invoer van gesloken opium bestaan dus talrijke gelegenheden en de afzet in het binnenland nioet ongeveer geheel bestreden worden door de eigen politie der régie, omdat men in het geheele land slechts 17 centra van Europeesch bestuur heeft en het overige is overgelaten aan imlandsche ambtenaren, wellicht wat meer ontwikkeld, maar tevens ook minder vertrouwbaar dan die bij ons.

Ik behoef niet aan te toonen hoe de toestand op Java en Madoera ten opzichte van al deze omstandigheden veel gunstiger is. Daarentegen hebben wij hier te doen met debietprijzen, die 3- a 4maal zoo hoog zijn als in Cochinchina en die bij eene régie eerder stijgen dan dalen zouden, terwijl tevens de verboden kringen moeten worden verdedigd. Beide omstandigheden zullen zeker den strijd verzwaren, maar alles te zamen genomen schijnt de taak hier minder moeielijk te zullen zijn dan ginds, ook omdat wij beginnen kunnen met de aldaar verkregen ervaring, die ons menige verbetering aanwijzen, voor menigen misslag behoeden kan.

(Slot volgt).