is toegevoegd aan je favorieten.

Leerboek der plantkunde voor Nederlandsch-Indië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

handvormige stengels (phyllocladiën) en kleine bloempjes. Dit sterk vertakte heestertje wordt wel eens in tuinen gekweekt.

De Boekweit (Fagopyrum esculentum) wordt in Europa veel in de zandstreken verbouwd en wordt hier in het gebergte, bijv. bij Lembang, af en toe verwilderd als onkruid aangetroffen.

De Nyctaginaceeën.

De Nyctaginaceeën hebben een vergroeidbladig, meestal vijftallig, gewoonlijk klok-, trompet- of trechtervormig, bloemkroonachtig gekleurd regelmatig bloemdek. Bij het rijpen van de vrucht vergroeit het onderste gedeelte van het bloemdek met den vruchtwand. Het vruchtbeginsel is bovenstandig met één eitje, de vrucht is dunwandig. Het aantal meeldraden wisselt af van 1 tot 30 maar bedraagt meestal 5 tot 10. De bloemen staan in armbloemige, soms éénbloemige bloeiwijzen die door een omwindsel van somtijds bloemkroonachtig gekleurde schutbladen omgeven zijn. De vertegenwoordigers van deze kleine familie komen uitsluitend in tropische streken, hoofdzakelijk in Amerika voor. Er behooren kruiden, heesters, boomen en lianen toe.

Vermelding verdienen:

De Bougainville die reeds besproken werd op hl. 19 en afgebeeld

op Plaat VII, Fig. 7.

De Kembang poekoel ampat of Kembang pagi soreh {MirabRis Jalappa), een bekende kruidachtige, overblijvende sierplant mét groote, gele, purperen of witte bloemen, die zich tegen vier uur 's namiddags openen en in den loop van den volgenden voormiddag sluiten. Gewoonlijk bevat het omwindseltje, dat hier groen gekleurd is, slechts één bloem zoodat het op een kelk gelijkt.

De Kool banda (Pisonia alba), een welbekende sierboom met geelgroene bladeren. Bij dit, in Zuid-Oost-Azië inheemsche geslacht, waartoe behalve de Kool banda nog enkele andere, in het wild groeiende boomen en klimmende heesters behooren, zijn de bloemen klein, zonder omwindsels of schutbladen.