Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

68 II. AFDEELING.

2 Petr. I. 5. Voeght — by de deught kennisfe, (of, befcheidenheid.)

1 Petr. 4. 10. Een yegelick — bedienë — den anderen.

2. Tim. 3. 5. Hebbende een gedaente van Godtfaligheydt, maer die de kracht der felve verloochent hebben. Hebt oock eenen afkeer van defe.

1 Thesf. 5. 22. Onthoudt u van allen fchyn des quaets.

Dat wy, zo veel mogclyk is, met alle menfchen in vrede en cendragt moeten trachten te leeven.

2 Cor. 13. 11. Leeft in vrede: ende de Godt — des vredes fal met u zyn.

Dat wy de vergenoegdheid van geest, door een onbefmet geweten, en door ons volkomen aan Gods voorzienigheid te onderwerpen , moeten poogen te verkrygen.

1 Tim. 6. 6—8. De Godtfaligheyt is een groot gewin met vergenoeginge. Enz.

2 Pet. 3. 14. Beneerftight u dat gy onbevlekt ende onbeflraffelick van hem bevonden mooglit worden in vrede.

Dat wy over onszelven waaken, en alle aanlokfelen tot zonde wederftaan moeten.

Matth,

Sluiten