is toegevoegd aan je favorieten.

De politieke zijde van het Nederlandsch-Belgisch tractaat van 3 april 1925

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I

DE VOORGESCHIEDENIS VAN 1919/20.

Het belang van Engeland bij de Schelde. — De Wielingen als troefkaart. — In 1919 hebben de geallieerde mogendheden besloten, dat herziening van de verdragen van 1839 niet zou mogen medebrengen overgang van territoriale souvereinitcit of vestiging van internationale servituten. Het ontwerp tractaat van 3 April is hiermede niet in overeenstemming.

In Februari 1919 maakte België bij den Oppersten Raad van de Mogendheden, die den vrede van Versailles voorbereidden, de herziening van de verdragen van 1839 aanhangig, waarbij de altijddurende neutraliteit zonder eenige beperking werd opgelegd, welke echter bij het uitbreken van den oorlog in 1914 feitelijk reeds opgehouden had te bestaan.

Het oogenblik was goed gekozen: — Duitschland was geslagen, maar zijn groote kracht kon niet reeds volkomen vernietigd heeten ; de gealliëerde en geassocieerde mogendheden hadden elkander nog noodig; de leuze, waaronder Engeland ten oorlog was gegaan, de bescherming van België, werkte nog na.

Verzekerd van den steun van Frankrijk, scheen België niet alleen in naam en in daad het status van een internationaal vol souvereinen staat te kunnen verwerven, maar daarbij zich te kunnen versterken ten koste van Nederland.

Onder voorzitterschap van een Franschman werd een commissie ingesteld, welke over de voorgenomen herziening rapport zou uitbrengen. Nederland kreeg gelegenheid zijn standpunt ter zake uiteen te zetten; maar den Belgen scheen het vergund te zullen worden zulke uiteenzetting feitelijk te overheerschen. Zij voerden het hooge woord, en strekten de handen uit naar souvereiniteit over ZeeuwschVlaanderen en de Schelde; en ook Limburg, althans dat deel ervan, dat zij in 1839 hadden moeten afstaan, in ruil voor het door hen verkregen deel van Luxemburg, kon niet veilig schijnen. Als vanzelfsprekend werd aangenomen, dat hun land van eiken neütraliteitspücht ontslagen zou worden, en dat het voorschrift, volgens hetwelk Antwerpen uitsluitend handelshaven mocht zijn, verdwijnen moest.

5