Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De vogels in het water en in de wei wisten nu, dat de plas kleiner werd. En toen het land al meer het water inschoof, gebeurde er iets nieuws. Een heel eind verder aan den oever van een meer groeide een els: in den winter vielen de kleine vruchtjes uit de elzeproppen en tuimelden in het water. Door den wind, die het water bewoog, dreven de vruchtjes voort, als kleine, vlakke, lichte bootjes, steeds verder weg. Een er van kwam aan den kant van den plas terecht, waar de kemphaantjes altijd vochten. Daar ontkiemde het zaadje. De kleine, teere worteltjes schoten gemakkelijk in de modder, en een dun stammetje rees op aan den oever. Dat was de eerste els in het moerassige veengebied.

„Nou nog mooier," zei de fuut, „wat overkomt ons nu? Wat heb ik nou aan een els?"

„Oho.... groei maar niet te hard," kwaakte een dikke kikker, ,,'t Is een last, al die vreemde indringers."

't Elzestammetje groeide onverstoorbaar door en na een aantal jaren stond er een stevige elzestruik aan den waterkant. Vroeg

50

Sluiten