Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4

uit de oude wet, die goed, vond dat de acten van verandering van onderpand op de acten van beleening mochten worden gesteld, zonder dat daarvoor afzonderlijk zegelrecht verschuldigd zou wezen. Conservatisme met algeheele miskenning van de praktijk. Want heeft iemand wel ooit gezien dat verandering of vermeerdering van onderpand op de acte van beleening werd geconstateerd en door beide partijen werd onderteekend? Dat geschiedde immers altijd bij afzonderlijk geschrift. Dientengevolge moest reeds vóór de feitelijke geboorte van de wet die bepaling worden gewijzigd en werden de stukken, constateerende verandering etc. zegelvrjj verklaard. Dat men reeds zoo vroeg tot wijziging moest overgaan is alleen daaraan te wijten, dat de wetgever zich van te voren niet op de hoogte stelde van het werkelijke leven, maar meende dat er, sedert 75 jaren, niets in de techniek der beleeningen en prolongatiën was veranderd. Bovendien had, m. i. bij practisch handelen, dit punt meer ten voordeele van de schatkist geregeld kunnen worden. Had men toch dadelijk bepaald dat acten van prolongatie en beleening aan een vast recht van ƒ0.30 onderworpen zouden zijn en die van verandering etc. van onderpand b.v. aan een vast recht van ƒ0.05, dan zou waarschijnlijk niemand tegen dit lage recht bezwaar hebben gehad. Nu heeft men ze zegelvrij moeten verklaren en kan daarop moeilijk worden teruggekomen. Had de maker van de wet zich bij de praktijk op de hoogte gesteld, dan zou ook eene overgangsbepaling omtrent de in omloop zijnde wissels, waarop reeds uitstel was toegestaan, niet hebben ontbroken. Hierop kom ik nog nader terug. Alleen wil ik er hier even op wijzen, dat de alom bekende wissel „zonder kosten" bij verscheidene belastingambtenaren blijkbaar onbekend was, althans _door hen werd genegeerd en zij zich alleen wenschten te houden aan ons Wetboek van Koophandel, dat dien wissel ook niet kent.

Verder kan worden opgemerkt dat de verschillende beslissingen, door den Minister van Financien gegeven omtrent de bedoeling der wet, in de meeste gevallen ons geen duidelijker inzicht geven en bovendien meermalen blijkbaar ingaan tegen de opvattingen der Kamerleden, in overleg waarmede de wet werd in

Sluiten