is toegevoegd aan uw favorieten.

Golgotha

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

107

stof, zand en spinrag getuigden van de jarenlange verwaarloozing, kroos dreef in den kom, een kikker plompte in het water, maar voor Matthat bestond alleen de illusie, een reeks van teere beelden, wonderlijk, onwezenlijk, van onnatuurlijke helderheid, zoetelijk begeleid door de melodieën van den zingenden watersprankel. Ontroerend was de gedachte, dat deze zachte stem gedurende de jarenreeks onafgebroken dag en nacht, winter en zomer in het verlaten huis had gemurmeld, als een nederige onsterfelijke getuige van de idyllen, die eenmaal het peristylum doorzweefd hadden.

Matthat herdacht de verschrikkelijke ontknooping, maar het visioen er van was verdwenen; in betrekking tot den moord van Mirjam leefde niets in hem dan een nimmer gestorven wraakgevoel jegens haar vader, ofschoon deze sinds lang niet meer tot de levenden moest behooren. Van het verleden kwelde hem alleen de weemoed, hoogstens toornde hij over den afloop, die hij gevoelde als een onrecht, hem persoonlijk aangedaan. Terwijl hij zich ontworstelde aan zijn schoone herinneringen, dacht hij plotseling aan Thamar, Mirjams dochter, die als een hoer door Jeruzalems straten zwierf, de grondtoon van zijn stemming werd bitter en hardop morde hij:

„Het ware geluk is voor mij niet weggelegd."

Toen hij het gezegd had schrok hij, maar er was niemand om hem te hooren. Hij stond alleen in het peristylum, want Noemi was met den rentmeester dieper het huis ingegaan. Hij liep de leege vertrekken door in de richting van het stemmengeluid en vond hen in de badkamers. Het waren deze vooral, die Noemi's belangstelling trokken en het zou van de bruikbaarheid van deze gelegenheid afhangen, of zij bij haar wensch om het huis te gaan bewonen zou volharden. Haar opvoeding was in alle opzichten Romeinsch geweest en haar grootste grief tegen het paleis van haar vader