is toegevoegd aan uw favorieten.

Van een grootmoeder en zeven kleinkinderen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

i io Onverwachte gasten.

Kaatje met een verschrikt gezicht om de kamerdeur kijken. „Gunst, wie kan daar zijn?" vroeg ze. „U bent toch niemand te wachten?"

De keek eens door het spionnetje. „Goed volk," troostte ik, „Bets, Jaap en...."

„Bewaar me!" riep Kaatje eri zoo vlug haar oude beenen het toelieten, liep ze naar de keuken om een dweil te halen. Toen nam ze de voorzorg, eer ze de deur opende, heelemaal naar beneden te loopen, en hen één voor één binnenlatend, veegde ze eerst hun voeten aan alle kanten af, voor ze hun toestond de hagelwitte trappen te beklimmen.

Hummeltje kwam het eerst binnen. „Wij bennen hier vandaag," zei ze, stappend op een manier, die me dadelijk haar nieuwe knoopschoentjes deed opmerken. En met beide handjes de mantelmouwen vasthoudend, strekte ze de armen en bewoog ze een paar maal op en neer, als een vogel, die klapwiekt. Toen zei ze opeens: „Wij komen pannekoeken eten. Pa en Moe uit met de poor. Dag, dag, —wegj" En, opeens