is toegevoegd aan je favorieten.

De opvoedkundige denkbeelden van Betje Wolff en Aagje Deken

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

292

spraak in een geding een edelman van finantiële ondergang gered; zijn zoon bemint des edelmans dochter; nu zegt de raadsheer, dat de zoon het meisje niet trouwen mag, omdat anders de indruk gevestigd zou worden, dat de raadsheer het finantiële belang van zijn eigen zoon had bepleit. In stede van een, hoe eenvoudig dan ook gehouden, conflict, horen we niets anders dan: „u heb „gelijk, papa, ik zal gehoorzamen"1. Haast komies werkt op ons een stuk gesprek tussen deze zelfde vader („Le Magistrat") en zijn zoon: „Gy denkt verheven; uwe ziel is edel, is rein; maar uwe „driften zyn zo sterk". „Ik zal die overwinnen", antwoordt de zoon *.

„Het bedorven Kind", ook al weer in aanleg braaffl), wordt bedorven door een wereldse tante, die grillige buiën van degelikheid heeft („zy pryst gedurig haar Nicht het leezen en de „leerzaamheid aan; en het voorbeeld dat zy geeft stryd met haare „lessen", zegt de goevernante ergens3), en door een goevernante, die daarvan bewust, uit eigenbelang, een systeem maakt. Hier werd dus Locke's klacht over de slechte invloed van bedienden, veraanschouwelikt.

„De Reiziger" moet ons doen zien, dat reizen tot oppervlakkige waanwijsheid kan leiden; dat reizen alleen goed is, als men z'n gezonde verstand gebruikt4.

Uit tietels als „De marchande des modes" en „De linnenwinkelierster" zou men misschien opmaken, dat men iets te horen kreeg uit het milieu van winkeldochters en naaimeisjes; daar is geen sprake van; de naaister-winkelhoudster is als een moeder voor de meisjes; de meisjes zijn allen engelen; ze omhelzen elkaar en lezen Pamela; ze werken allen om later voor vader en moeder te kunnen zorgen6; men moet zijn plaats in de wereld kennen; de deugd (die altijd beloond wordt), vindt in deze wereld als loon de goedheid der damesklanten-gravinnen en markiezinnen.

Toch zijn enkele stukjes voor ons nog wel enigszins belangrijk: in „De goede Moeder"6 worden ons kinderen ten tonele

a) „on n'a présenté que des défauts naissants, toujours accompagnés d'un bon coeur, et par conséquent susceptibles de correction." (Préface de 1'éditeur, 4).

i a. w. IV, 178. 2 a. w. IV, 108. 3 a. w. 1, 296. 4 a. w. 1, 432. 5 a. w. I, 373. G a. w. II, 97.