Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gelezen en aangehaald schenkt den geleerde werklust.

Aan deze orde van zaken ontkomt ook het dagelijkseh leven niet. In zijne betrekking en in zijn huis wil ieder mensch gaarne op prijs worden gesteld. Daar wil hy de achting, de eer genieten, waarop hij recht heeft. De mensch wil worden gekend.

Zullen wy' het in hem laken, dat hij dit begeert? Beweren, dat de behoefte aan waardeering in den grond der zaak een bewys is, dat wy eigenly'k allen y'dele wezens zijn? Er zijn menschen, die voor waardeering onverschillig heeten te zyn. De wijsgeer Spinoza b. v. had er weinig behoefte aan. Er zyn ook menschen, wien niemand grooter genoegen kan bewy'zen, dan hen maar stilletjes hun gang te laten gaan. Hoe minder men zich met hen bemoeit, hoe liever hun dat is. Ook trotsche menschen begeeren geen lof. Maar — die bodem des harten. Als we eens konden zien, wat daar wel op ligt! Maar aangenomen, dat wie zeggen ongevoelig te zyn voor menschelyke goedkeuring, dat ook zyn inderdaad — dan blyft er toch zulk een groote meerderheid over, die daarvoor wél gevoelig is, dat we mogen blyven beweren: de behoefte aan waardeering is algemeen.

En — dit zy er aanstonds by gevoegd — zy' is niet afkeurenswaardig. Wy eeren hem, op wiens waardeering wy' gesteld zyn. Wie gaarne de instemming der mensehen verwerft, stelt daardoor die menschen hoog.

Sluiten