Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moeder, ziek worden en sterven zou als zoo velen dier zwoegerskinderen .... ween daarom niet, het is toch maar zoo'n klein, heel klein deel van de weeën die de wedergeboorte van het proletariaat schijnen te moéten voorafgaan .... als ge eens toegaaft aan dien drang, ge zoudt uw oogen uitschreien .... schrei zelfs niet, als ge Marretje in den vriesnacht voor de licht-uitstralende ruiten van het heerenhuis naar binnen ziet staren, naar haar kind, voor het de groote reis naar het Zuiden begint. Zij mag geen afscheid van hem nemen, en door niemand geweten ziet zij het aan hoe hij heengaat. Schrei niet, dit alles gaat zekerlijk voorbij . . .., en schreien is zoo nutteloos en zoo klein .... Zoo ge u üiten moet, dan — strijdt voor de kleinen en verdrukten ....

Maar het zij gij weent om hen of voor hen strijdt, laat dit zijn als het leven-zelf met zijn stoet van worstelende gestalten voorbij U vlaagt in storm en vuur, maar zoo Hij, de Kern des levens, U verschijnt in den zacht-ruischenden ademtocht der Schoonheid, val Hem te voet en schaam U niet gelukkig te zijn. Want kunst puurt uit diepste smart geen hoogste vreugd om niet. En de essentieele Vóór-Beeltenis des levens volgt niet op zachtredende voeten zijn donder-dreunende stappen na, om dezelfde verschrikking te brengen als hij. Wees daarom nü niet bedroefd maar laten bewondering en liefde U leiden tot een zachte rust, als ge een onsterfelijke bladzijde leest, als die, waar Marretje onder den sneeuwval, in den donker, door de ruiten van het heeren. huis haar aan vreemden afgestane kind bespiedt.... \ / Met de geheel andere stof dan die der indische verhalen, /wijzigden zich ook weer de elementen van den stijl, behalve jdan het grond-rhythme der harmonische ziel, die 't alles schiep. Blinken in de indische verhalen de Tjeremai en de heuvelen óp, doffen de wijde groene vlakten néér ook in den stijl, in dien van dit werk strekt zich het ver in den einder verloren gaande of nevel-gedekte, het onomheuvelde laagland uit. Het dichtbevolkte van het kleine rijk en 't intieme, het schemerlicht in het koelend en kabbelend water, 't leeft alles in het compacte en egale, in 't rustig en effen voortruischen van dien stijl, zonder heuvelend pathos en ook zonder daling. Maar zoo dan al dit boek een volkomen-af,

Sluiten