Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voorwerp der onfeilbaarheid strekt zich noodzakelijker* wijze uit tot alle waarheden, welke voortvloeien uit de verbinding van geopenbaarde en door natuurlijk inzicht bekende praemissen, zgn. theologische conclusies, — tot alle feiten en gebeurlijkheden, met welker zekerheid of onzekerheid de kennis en veiligheid der eigenlijke open* baring staat en valt, zgn. dogmatische feiten, — tot de groote kerkelijke wetgeving, waardoor eeredienst en be* leving van den christelijken godsdienst wordt geregeld, — tot de plechtige en uiteindelijke goedkeuring van Religieuze Orden, wier bestaan en werking, bij ontsten* tenis van een onfeilbaren waarborg hunner deugdelijk* heid, althans indirect de christenheid op dwaalwegen voor deugd en plicht zouden voeren, — tot de plechtige canonisatie der Heiligen, welke, zoo zij ooit valsehelijk kon gschieden, den eeredienst der Heiligen te schande zou maken en het deugden*voorbeeld, dat uitstraalt van de Heiligen, te grabbel zou gooien.

Wellicht wekt dit alles, vooral bij eerste vernemen, den schijn, dat volgens de leer en opvatting der Kerk toch eigenlij* zeer veel gelegd wordt in hare behoedende en onfeilbare handen. Toch zal ieder bij nadenken en studie bevinden, dat al deze eischen met ijzeren logica voortvloeien uit het ééne en onomstootbare feit der onfeilbaarheid omtrent de geopenbaarde waarheden; dat de praktijk der Kerk daarom steeds dezen omvang der onfeilbaarheids*gave heeft gehandhaafd; dat in andere veronderstelling onmogelijk het bovenmenschelijke re* sultaat van het behoud en de integriteit der orthodoxie kon zijn bereikt; dat de Kerk van Christus, zoolang zij tot zending heeft te zijn „de zuil en grondveste der waarheid", nooit één steen, die noodzakelijk staat in den

Sluiten