Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

't geheel niet fantasties grote waarde uitkomt, dan treedt geen schom* melende beweging meer op, doch een beweging welke zich steeds verder van het evenwicht verplaatst. Een beweging ongeveer, zoals in zeer sterke vorm de Duitse inflatie van 1922/'23 te zien gaf; en die men in zijn bedaarde vormen als een afbeelding kan beschouwen van zekere dromen van eeuwigdurende prosperiteit, gedroomd aan de andere zijde van de oceaan, of van „krisis in permanentie".

(3) Betrekkelijk weinig verandering wordt in dit alles verkregen wanneer een andere komplikatie wordt ingevoerd, n.1. een horizontale en vertikale differentiëring van het gezamenlike produktieproces.

(4) Rekening houden met het feit, dat zowel de loonstandaard als de rentestand bij de prijsbeweging een zekere vertraging vertonen, is evenmin van grote invloed. Nader korrelatie*onderzoek brengt n.1. aan het licht, dat noch loonstandaard noch rentestand een merkbare invloed op het histories konjunktuurverloop der produktie hebben gehad; een en ander in vrij duidelike tegenspraak tot een vaak geuite zienswijze.le)

(5) Een verdere komplikatie is, aan te nemen — in ruwe overeen* stemming met de werkelikheid — dat de arbeidsproduktiviteit in de konjunktuurveroorzaking een aktieve rol speelt.") En wel b.v. op deze wijze, dat in ons oorspronkelike geval een lage winstmarge betekent een hoge aktiviteit tot verbetering der produktiemethode en ook een sterke daling der produktiekosten, terwijl een hoge winst» marge een zwakkere daling der produktiekosten betekent. Voor het gemak nemen we aan, dat de arbeidsproduktiviteit zich niet wijzigt in verband met de grotere of kleinere bedrijfsdrukte; ook dit zou zich vrij eenvoudig laten introduceren, maar zou geen verandering brengen in onze konklusies. Men kan zich nu voorstellen, dat in ons tegen* woordig geval een einde aan de depressie komt door de daling der produktiekosten, en dat een opleving volgt. Door de grotere produktie wordt echter een neiging tot prijsdaling veroorzaakt, welke in verband met het feit, dat de hogere winstmarge leidt tot minder kostendaling op de duur weer tot een terugslag leidt. Wanneer U dit duidelik is, zou dat een bewijs zijn van het belang der synthetiese onderzoekingen; het laat zich n.1. aantonen, dat al naar gelang men het verband tussen winstmarge en kostendaling verschillend aanneemt, in sommige ge* vallen inderdaad schommelingen optreden, doch in andere gevallen niet. U ziet daarmee gedemonstreerd, hoe men in een schijnbaar logies betoog toch met een beetje kwade opzet of enige argeloosheid onjuiste stellingen kan „bewijzen".18) Het is n.1. ook hier weer zo, dat alleen door het aannemen van een zekere vertragingstijd tussen oorzaak en gevolg (dus winstmarge en kostendaling) werkelik een cykliese be* weging kan worden bewezen. Neemt men een dusdanige vertraging niet aan, dan zou hier een beweging in één richting ontstaan. De

Sluiten