is toegevoegd aan uw favorieten.

Gysbert Japicx wirken

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het Aerdrijck, in mijn sneeuw, legt, als in 't bed, te rusten, En ronckt, in d' ys-koets, om her-neemen nieuwe lusten, Gelijck een neerstig mensch, vermoeyt door arbeyd, slaept. En daer door versschen moed, en nieuwe krachten, raept. Oock, soo 'k niet bijster bars met sneeuw en hagel speelde, Noyt acht' ghy doch, nae waerd', des Lents verweende weelde Noch Somers nut gewas end arbeyd-zalig sweet,

Noch 's Herfts voor-sorg en vlijt, waer van ghy nu noch eet. Weest, dies, met my gepaeyt. Laet ons de borst vry smeeren. De Winter eyscht sijn recht, 't Is nu de tijd om teeren. Die Somer lust in woel en t' samen-rapen vindt, Die magh, by Winter-tijd, wel teerens zijn gesint. Dus leefden wy, niet schaersch, terwijll' Apoll' sijn wagen Liet door de gulde Geit, en Kruyk en Visschen jagen. Wy schaften ruym vol op van Herfst en Somer-gaef. (De Winter is doch heer, de Somer is sijn slaef.)

Dies eer hy noch vertrock, met vorst en dwerrel winden, Had hy al meest geleegt ons, wel voorsiene, spinden: En 't geld, dat ick, in 't sweet des somers, hadd' gehoopt. Had hy, in sijnen tasch, al fijntjes, op-geknoopt. Het vleesch, waerom in herfst, moest Os en Vereken sterven, En dat m' in kuyp en sout bewaerde voor verderven, En wat 'er meer in huys tot voor-raed was gekocht, Had hy, met grage tand, in hollen balg gerocht.

En turf en hout, daer me e men heerd en vyer moest azen, Had hy, in yd'le roock, ten schorsteen uyt geblazen.

Doch daerom niet getreurt. Mijn Lent' begon ick naeckt, 'k Ben, echter, Somer, Herfst en Winter door-geraeckt Met noodlijck lijfs behoeft'. En laet ick, in mijn sterven. Niet veel, veel minder twist om deelen voor mijn erven. Geluckig is de mensch die 's Werelds winter endt, En vaert daer op by God in 's hemels eeuw'ge Lent.