is toegevoegd aan uw favorieten.

Jeruzalem-Antiochië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

laten varen, om Christus te gewinnen. (Phil. 3, 7. 8). Petrus' opene en vaardige geest was daarom niet minder vatbaar voor goddelijke dingen. Bij moeielijke vraagstukken in de ontwikkeling der Kerk, als aller oogen op Kephas gericht zijn, toont hij zich op de hoogte van zijn taak. Goedheid en intelligentie beide zijn trekken, die we ook bij de oudste afbeeldingen van St. Petrus op zijn eerbiedwaardig wezen zien uitgedrukt.

Terwijl de onstuimige Paulus steeds nieuwe gebieden voor zijn zielenijver zoekt, waar de Naam van Christus nog niet had geklonken, bezoekt Petrus als herder ook de door anderen gestichte kerken, of richt daarheen zijn Brieven. Ten slotte komt hij voor de laatste maal in de hoofdstad van de wereld. Hij wordt er gevangen genomen onder de bloedige vervolging van Nero, en legt voor de rechtbank van het keizerrijk getuigenis af. Als verbreider van een leer, vijandig aan de staatsgoden, en als vreemdeling van lage afkomst, wordt hij tot het kruis veroordeeld.

Het was soms praktijk, de kruiselingen met het hoofd naar beneden aan het hout te hangen. Daar Petrus zich onwaardig rekende, om op dezelfde wijze als zijn Meester te sterven, — zoo verhaalt Origenes — vroeg hij als gunst aan, om met het hoofd naar beneden gekruisigd te worden. Zoo stierf hij een even smartelijken als smadelijken dood. Dat was het laatste grootmoedige getuigenis van Simon Petrus.

Een geheel andere apostelfiguur is Jacobus, de broeder des Heeren ,die na Petrus' heengaan de kerk van Jeruzalem leidde. Hij was de zoon van Maria van Cleophas, en behoorde met Joseph, Judas en Simon tot de broeders of familie-leden des Heeren. Na de verrijzenis is hem de eer van een afzonderlijke verschijning des Heeren ten deel gevallen. (I Kor. 15, 17).

Wij noemen hem een apostelfiguur, en vereenzelvigen hem dus met den Jacobus, die in de rij der apostelen als Alphaeus' zoon onderscheiden wordt. Wanneer Lucas in den aanvang der Handelingen de lijst van de twaalf apostelen geeft, noemt hij tweemaal den naam Jacobus: eerst Jacobus zonder meer (deze is de broeder van Joannes), daarna met onderscheiding Jacobus, zoon van Alphaeus. In den loop van zijn geschiedenis verhaalt hij later den marteldood van Jacobus door het zwaard: hij duidt dezen aan door de toevoeging: den broeder van Joannes. Daarna echter spreekt hij verder zonder nadere onderscheiding van den Jacobus,