is toegevoegd aan uw favorieten.

Het witte doek

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maleen maakte haar verzoek kenbaar zich te willen wasschen, waarop het hoofd verdween en even later twee bruine beenen de ladder afdaalden.

Toen aan het ongewone verzoek — was niet de rivier vlak bij? — in den vorm van een bak behoorlijk gefiltreerd water voldaan was en Maleen en Emy zich onder het belangstellend toekijken van een paar vuile Boegineesjes stonden te wasschen, verscheen Jim boven aan de trap en riep: „We moeten dadelijk weg, ben je klaar?"

Na een haastig ontbijt zaten allen te paard, ook de Aroe, die hen een eindweegs zou begeleiden. Hoog tronend op een stapel roode kussens deed zij het nietige paardje haast onder zijn kostbaren last bezwijken. Achter haar liepen eenige volgelingen op een drafje mee: de oude vrouwtjes met sirihdoos, spuwkelk en waterketel voor voetwassching, dan nog eenige mannen met eetwaren in een mandentorentje op het hoofd, verder tal van belangstellende dorpsbewoners. Voor Emy's paardje uit liepen twee kleine slavinnetjes met niets dan een katoenen sarong aan. Ze draafden heen en weer over den weg, telkens de kleine koperen bekkens, die aan een koord om de tengere halsjes hingen, tegen elkaar slaande: ze moesten de booze geesten op een afstand houden.

Emy vond het alles hevig interessant. Een eigen paardje, eigen slavinnetjes, al die vreemde, dravende menschen en vlak voor haar het nieuwe, groote bezit: Pappa.

„Pappa met de baard, boven op een paard", juichte ze en sprong in het zadel op en neer.

Maleen voelde zich hoopvol gestemd. Ging alles weer heelemaal goed worden?....

Ze reden nu door lage landen, hier en daar kampongs met maisaanplantingen en klappertuinen in de nabijheid. Soms een spiegelend sawahvlak. In de verte bosschen.

Tegen den middag naderden zij een grooten kampong. Tot zoover zou de Aroe meegaan. Telkens vertoonden zich nieuwsgierige inboorlingen op den weg, die, zoodra het reisgezelschap hen naderde, op zij gingen, hun sarongs losmaakten en die uit eerbied over het hoofd trokken, tot allen voorbij waren. Dan