is toegevoegd aan uw favorieten.

Dorp aan de rivier

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toe en zwaaide lustig met zijn stokje. Hij was zeer welgezind. De zomer was in de luide grienden, waar de kieviten en de karekieten in de goede warmte te keer gingen. En van den hoogen dijk af gezien lag de Maas binnen de breede uiterwaarden smal en blauw in haar liefelijk dal. De Maas kronkelde zoo. Soms was zij niet te zien. Dan kwam ze weer in het gezicht. De hemel was puur en diep blauw. Dokter Rits kwam langs een woonwagen op den dijk. Die woonwagen stond op den berm, er kwam rook uit het korte roestige pijpje, een hitje met een langen staart graasde op den wegberm, wat een scharminkel van een paard, ge kondt zijn ribben tellen. Een knuppel had het beest een wond geslagen boven het oog, daar zat wat bloed, daar kwamen nu de vliegen op bijeen. Er waren schooierskindertjes langs den weg, dokter Rits voelde voor die kinderen. Ze zijn zoo zwart in het gezicht, hun kleeren zijn te groot en gescheurd, die kinderen zijn zoo klein, hun Jswarte handen zijn zoo klein. Dokter Rits gaf de kinderen wat en tikte hen tegen de bruine wangen. Dan liep hij weer verder. Hij neuriede een wijsje. Hij zong een liedje. Hij had zoo gemakkelijk vrede met de wereld en met al hare moeilijkheden, met haar woonwagens, haar armoede en haarMammekes, overal verspreid. Dokter Rits ging nu voor zijn pleizier op de vogels letten, op de drukke spreeuwen, op de kieviten met hun schoon kuif en wit buikske,