is toegevoegd aan uw favorieten.

De brug

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Dat zou dan wel eens gevaarlijk kunnen worden."

„Voor jou, zeker. Voor Lady niet. Het zijn nogal geen prachtjongens, die zij heeft. - Weetje, ik hoop, dat het twee Fetter's worden. In ieder geval weten ze alles van je vroegere schurkenstreken af. Weet jij nog, dat jij dien Dekker of Bekker, of hoe of die vent heette, dien leeraar, die onhebbelijk was tegen dat aardige kind, god hoe heet zij ook weer, nou ja, dat jij dien vent afgedroogd hebt? En dat ik je toen geholpen heb, omdat je het niet alleen afkon? En dat jij toen voor veertien dagen van school getrapt werd?"

„Nou, of ik het weet. Het was nogal geen schande volgens den ouwe. Lam heeft ie me getimmerd."

„Ja, wat dat betreft, zit jij werkelijk dik onder de schande. Maar laten wij opstappen."

Godrich bracht hem naar een klein en vriendelijk huisje, iets buiten het dorp midden in het boerenland. Twee jongens vlogen hun in een wilde race tegemoet. Twee stevige blozend gezonde jongens van acht en tien jaar.

„Hier hebben jelui nu oom Fetter in levenden lijve. Vader heeft hem ergens gevonden en speciaal voor jelui en Lady meegebracht."

„Dag, mijnheer Fetter," groetten zij, nog hijgend en plichtmatig.

„O, noem hem geen mijnheer. Want dat is hij niet. Zeg oom tegen hem of gewoon Fetter. - En nu probeeren, wie het eerst van ons vieren thuis is. Nee, wacht even. Hier op één hjn staan. Een, twee, drie..."

En omdat Fetter het glansrijk won, was hij voortaan de held van de jongens. Dat wil zeggen: na hun vader. Het was dus zoo, dat Bob hun vader en Fetter hun held was.

Lady bleek inderdaad een lady te zijn, ondanks haar goedkoope katoenen jurk, haar wat grove schoenen en haar ruw gewerkte handen. En niet alleen een dame, die in elk van haar uitingen onbewust blijk gaf van een fijne beschaving, maar bovendien een vrouw met een dartelen en blijkbaar ongeschonden levensdurf, waarbij vergeleken Fetter zich een zwaarmoedige slappeling voelde.